Bergingssector en BTW-afdracht

18 september 2003   DGB2003-4726

Bergingssector en BTW-afdracht

Directoraat-Generaal Belastingdienst
Team Ondernemingen

In een brief heeft de voorzitter van de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat van uw kamer mij om een reactie gevraagd op het rapport van De Ruyter, De Wildt en De Vroom, advocaten te Leiden, over BTW-afdracht van de Stichting Incident Management Nederland. Naar aanleiding van dat verzoek kan ik het volgende berichten. Hierbij zal ik aandacht schenken aan:

de strekking en inhoud van het rapport van De Ruyter c.s.,

de relevante feiten en omstandigheden en

de toepassing van de BTW-wetgeving

 

1. Rapport De Ruyter c.s.

Het rapport van De Ruyter c.s. betreft een brief aan de Belastingdienst Amsterdam. In die brief wordt aandacht gevraagd voor toepassing van de BTW-wetgeving ten aanzien van het bergen van motorvoertuigen. De kern van die brief betreft de vraag of de BTW die autobergers in rekening brengen voor zogenoemde eerste bergingen

[1]

in aftrek kan worden gebracht door de eigenaar van het betrokken motorvoertuig. De Ruyter c.s. beantwoordt die vraag ontkennend. Naar haar mening is bij de eerste berging sprake van dienstverlening aan de overheid als beheerder van de weg en niet aan de eigenaar van het motorvoertuig. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft De Ruyter c.s. bij haar brief een aantal bijlagen gevoegd.

De door De Ruijter c.s. overgelegde informatie heeft voor een deel betrekking op de betekenis en werking van incident management

[2]

 

. Voor het overige ziet de door De Ruijter c.s. verstrekte informatie op geschillen tussen aan de ene kant een aantal autobergers en aan de andere kant alarmcentrales, de Stichting Incident Management Nederland (hierna: de Simn) en de Staat. Die geschillen betreffen zowel de toepassing van de Mededingingswet als de vraag of de aanbesteding van contracten voor eerste bergingen onder de werkingssfeer valt van de Europese Richtlijn Diensten.

Een aantal autobergers, verenigd in de Vereniging Bergers Belangen en verschillende individuele autobergers hebben bij de Nederlandse mededingingsautoriteit (hierna: de Nma) een klacht ingediend. Daarin worden onder meer de Simn en de Staat beschuldigd van handelingen die in strijd zouden zijn met de artikelen 6 en/of 24 van de Mededingingswet. In het bijzonder hebben de bergers geëist dat de ontheffing zou worden beëindigd die de Nma heeft verleend aan de Bergingsregeling Incident Management.

[3]

In mei 2002 heeft de dg-NMa geconcludeerd dat niet is gebleken van strijd met artikelen 6 en/of 24. Ook het bezwaar dat de bergers tegen dit besluit hebben aangetekend is in oktober 2002 door de Nma ongegrond verklaard.

De vraag of de aanbesteding van contracten voor eerste bergingen onder de werkingssfeer valt van de Europese Richtlijn Diensten, is voorgelegd aan de civiele rechter. Zowel de voorzieningenrechter (de Rechtbank ‘s-Gravenhage) als de rechter in hoger beroep (het Gerechtshof ’s-Gravenhage) hebben in april 2002, respectievelijk oktober 2002, de grieven van de bergers afgewezen. (In deze procedures worden de belangen van de bergers verdedigd door een advocaat die werkzaam is bij De Ruijter c.s.) De bergers hebben tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft terzake nog geen arrest gewezen.

 

2. Feiten en omstandigheden

In de weergave van de feiten en omstandigheden beperk ik mij tot de elementen die relevant zijn voor de vraag over de aftrekbaarheid van de door de autobergers in rekening te brengen BTW ter zake van de zogenoemde eerste bergingen.

In het kader van incident management worden bij eerste bergingen autobergers ingeschakeld. Zij brengen ter zake van hun dienstverlening een vergoeding in rekening en moeten daarover BTW berekenen. Zij sturen de desbetreffende nota’s gewoonlijk aan een alarmcentrale en ontvangen ook van die centrale betaling voor hun diensten. De nota’s die de bergers uitreiken aan de alarmcentrales zijn gericht aan de eigenaar van het betrokken motorvoertuig, althans waar het om vrachtauto’s gaat. Met betrekking tot personenauto’s worden de in beginsel ten laste van de eigenaar komende bergingskosten in de praktijk door tussenkomst van een alarmcentrale rechtstreeks verhaald op de verzekeringsmaatschappij waarbij de desbetreffende personenauto is verzekerd. De eigenaar van het desbetreffende motorvoertuig blijft dan buiten de feitelijke geldstroom van de verzekeringsmaatschappij naar de autoberger.

De vergoeding (+ BTW) voor zogenoemde vergeefse ritten wordt door de autobergers ook aan de alarmcentrales in rekening gebracht. Omdat hierbij geen aanwijsbare eigenaar van een motorvoertuig is betrokken, zal verhaal achterwege blijven. Op grond van de afspraken die zijn gemaakt in het kader van incident management, vergoedt de Staat (Rijkswaterstaat) de door de autoberger in rekening gebrachte bedragen ter zake van deze vergeefse ritten.

 

3.1 Toepassing BTW-wetgeving (prestaties)

De BTW-wetgeving kent een eenvoudig uitgangspunt. Een BTW-ondernemer is over zijn omzet BTW verschuldigd. Daarop mag hij in aftrek brengen de BTW die betrekking heeft op goederen en diensten die hij van andere ondernemers heeft betrokken. Het resterende bedrag aan BTW moet de ondernemer vervolgens op aangifte voldoen.

De aftrek van BTW is geregeld in artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968. Eén van de daar neergelegde voorwaarden voor aftrek is dat het moet gaan om goederen en diensten die aan de betrokken ondernemer zijn geleverd casu quo zijn bewezen. Verder moeten de desbetreffende goederen en/of diensten door de ondernemer worden gebruikt in het kader van zijn onderneming.

Centraal in dezen staat de vraag of de eerste berging van een motorvoertuig een dienst is aan de eigenaar van dat voertuig of dat de berger een dienst verricht aan de wegbeheerder (de Staat of een decentrale overheid). In het eerste geval kan de eigenaar van het voertuig de BTW in aftrek brengen die de autoberger in rekening brengt voor de eerste berging, althans voor zover die eigenaar het motorvoertuig als belast BTW-ondernemer gebruikt. Als echter de wegbeheerder als afnemer van de sleepdienst moet worden gekwalificeerd, is geen aftrek van BTW mogelijk. De wegbeheerder treedt namelijk niet op als BTW-ondernemer maar als overheid. In dezen is overigens niet relevant wie de opdracht tot berging geeft.

Voor het antwoord op de hiervóór geformuleerde centrale vraag zal moeten worden vastgesteld wie de feitelijke afnemer is van de dienst van de autoberger. Is dat de wegbeheerder of de eigenaar van het motorvoertuig? Dat de wegbeheerder er belang bij heeft dat de weg bij een incident weer zo snel mogelijk voor het verkeer vrij wordt gemaakt, staat niet ter discussie. Daarmee is echter nog niet gezegd dat vanuit de BTW-wetgeving bezien, de wegbeheerder de afnemer van de dienst van de autoberger is. Naar mijn oordeel wordt de dienst van de autoberger verricht aan de eigenaar van het motorvoertuig. Deze blijft eigenaar van het motorvoertuig met de daaraan verbonden verplichtingen, onder andere jegens de wegbeheerder. Hij is daarvoor ook veelal rechtstreeks verzekerd, dat wil zeggen voor de kosten van de berger. Steun voor mijn opvatting vind ik tevens in de hiervóór genoemde, nog niet onherroepelijk vaststaande uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van oktober 2002. Het hof overweegt daarin onder meer dat het voldoende aannemelijk acht gemaakt dat in Nederland de praktijk is gegroeid dat de eigenaren van personenauto’s (…) zelf voor verwijdering zorg dragen en wel doordat zij met een beroep op de hulpverleningsdekking jegens hun WAM-verzekeraar er aanspraak op kunnen maken dat hun auto op kosten van de verzekeraar wordt weggesleept. Bij die stand van zaken, aldus het hof, vormen belemmeringen die door de betrokken auto-eigenaren zelf (althans door hun verzekeraars) uit de weg worden geruimd geen zorg voor de wegbeheerders. Volgens het hof resteert voor de wegbeheerders de zorg voor het verwijderen van auto’s die niet op grond van verzekeringsovereenkomsten door de auto-eigenaren worden verwijderd. Er bestaat, zo sluit het hof rechtsoverweging 7.3 af, geen reden waarom de wegbeheerder gehouden zou zijn van de (verzekerde) eigenaars casu quo hun verzekeraars de verplichting tot het doen wegslepen over te nemen.

Aan het vorenstaande voeg ik nog toe, dat Rijkswaterstaat met de door middel van incident management geïntroduceerde aanpak van incidenten op (snel)wegen naar mijn mening enkel de regie in handen heeft genomen om de doorstroming van het verkeer te bevorderen, zonder daarbij een wezenlijke verandering tot stand te brengen in de verhoudingen tussen en verantwoordelijkheden van de betrokken partijen.

 

3.2  Toepassing BTW-wetgeving (aftrek)

Op basis van de hiervóór onder 3.1. aangegeven uitgangspunten en de mij bekende informatie kom ik tot de slotsom dat de eigenaren van de bij een incident betrokken motorvoertuigen in beginsel aanspraak kunnen maken op aftrek van de BTW die autobergers in rekening brengen. Hierbij gelden uiteraard de algemene voorwaarden die aan de aftrek van BTW zijn verbonden. Zo moet de eigenaar het motorvoertuig gebruiken voor ondernemersactiviteiten die met BTW zijn belast. Verder moet hij beschikken over een aan hem uitgereikte factuur die voldoet aan de wettelijk gestelde voorwaarden.

Door verzekeringsmaatschappijen kan geen BTW in aftrek worden gebracht welke door autobergers in rekening is gebracht en bij die maatschappijen wordt verhaald. Zij zijn immers geen afnemer van de prestaties van de autobergers.

De alarmcentrales kunnen in beginsel geen BTW aftrekken ter zake van de eerste bergingen van motorvoertuigen. Dat is alleen anders indien zij moeten worden aangemerkt als degenen die in opdracht van de eigenaren van de motorvoertuigen het bergen in onderaanneming door de feitelijke autobergers hebben laten uitvoeren. In die situatie is sprake van een dienst door de autobergers aan de alarmcentrale en door de alarmcentrale aan de eigenaar van het motorvoertuig. De alarmcentrale zal dan niet alleen de BTW kunnen aftrekken die aan haar in rekening wordt gebracht door de autoberger, maar moet ook BTW berekenen over de vergoeding die zij vervolgens doorberekent.

De verschillende signalen die mij de laatste tijd hebben bereikt over deze aangelegenheid zijn al eerder voor de Belastingdienst aanleiding zijn geweest een boekenonderzoek in te stellen bij verschillende partijen die bij incident management zijn betrokken. Daarbij wordt onder meer beoordeeld of zij hebben gehandeld in overeenstemming met de hiervóór neergelegde uitgangspunten. Aangezien die onderzoeken nog niet zijn afgerond, kan ik u thans geen nadere inhoudelijke informatie daarover verstrekken. Vooralsnog wijzen die onderzoeken er echter niet op dat grond bestaat voor de berichten in augustus j.l. in de regionale pers dat sprake zou zijn van het massaal omzeilen van BTW-heffing door verzekeraars.

 

4. Samenvatting

Voor de BTW-heffing staat in deze aangelegenheid centraal de vraag of de autobergers presteren jegens de wegbeheerder dan wel de eigenaar van het motorvoertuig dat bij een incident is betrokken. Ik ben van mening dat de eigenaar van het motorvoertuig de afnemer is van de dienst van de autoberger. Dit houdt in dat deze eigenaar, mits ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan, de BTW op de autoberging op zijn BTW-aangifte in aftrek kan brengen. De andersluidende opvatting van De Ruyter c.s. wordt door mij niet onderschreven.

Download PDF