BTW-problematiek bij toepassen herzieningsregels op verbouwingen etc.

24 januari 1990 – 24011990

BTW-problematiek bij toepassen herzieningsregels op verbouwingen etc.

De staatssecretaris heeft bij brief de voor de omzetbelasting bevoegde inspecteurs als volgt van zijn standpunt op de hoogte gebracht.

De herzieningsregels vervat in artikel 13 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 hebben betrekking op de goederen bedoeld in het eerste lid van evengenoemd artikel. Daar deze goederen voor de toepassing van de herziening van de vooraftrek afzonderlijk in aanmerking worden genomen, moeten de goederen naar maatschappelijke opvattingen tenminste een zekere zelfstandigheid hebben en deze (gedurende de herzieningsperiode) behouden. De enkele omstandigheid dat goederen civielrechtelijk door natrekking bestanddeel worden van een ander (onroerend) goed staat naar mijn oordeel de toepasselijkheid van de regeling niet in de weg.

Uit het vorenstaande volgt dat de omzetbelasting die is toe te rekenen aan bouwkundige en andere voorzieningen die een ondernemer laat aanbrengen in of aan een door hem gehuurd bedrijfspand en die op zich of tezamen genomen niet leiden tot de vervaardiging van een nieuw bedrijfspand in de zin van artikel 3, lid 1, letter c van de Wet op de omzetbelasting 1968, voor herziening in aanmerking komt voor zover het aanbrengen van die voorzieningen is aan te merken als een levering van goederen in de zin van artikel 3, lid 1, letter c of f van de wet. In deze gevallen gaat het immers om goederen die – nadat zij door de ondernemer in gebruik zijn genomen – in voldoende mate hun zelfstandigheid behouden om afzonderlijk in aanmerking te kunnen worden genomen. Ingeval sprake is van de levering van een goed in de zin van artikel 3, lid 1, letter c van de wet – een oplevering in onroerende staat – dient de aan die levering toe te rekenen voorbelasting te worden herzien overeenkomstig hetgeen in artikel 13 van de Uitvoeringsbeschikking is bepaald. Ingeval sprake is van de levering van een goed in de zin van artikel 3, lid 1, letter f van de wet – het aanbrengen van een roerend goed aan een ander goed – en op het aangebrachte goed bovendien wordt afgeschreven, dient de voorbelasting te worden herzien overeenkomstig hetgeen in het derde lid van artikel 13 van de Uitvoeringsbeschikking is bepaald.

Hoewel het antwoord op de vraag of de in of aan een gehuurd pand aangebrachte voorzieningen als leveringen van goederen in de zin van artikel 3 van de wet moeten worden aangemerkt afhangt van de feiten en omstandigheden, meen ik dat deze vraag in beginsel ontkennend moet worden beantwoord met betrekking tot schilderwerk, stucwerk, het aanleggen van gas-, electriciteits- en waterleidingen, het aanbrengen van betimmeringen (inclusief het aanbrengen van verlaagde plafonds) en het uitvoeren van dergelijke werkzaamheden.

De bij de uitvoering van deze werkzaamheden gebruikte materialen gaan naar mijn oordeel zozeer op in het desbetreffende bedrijfspand dat zij voor de toepassing van de herziening van voorbelasting niet als afzonderlijke goederen in aanmerking kunnen worden genomen. Dit ligt evenwel anders met betrekking tot bepaalde installaties die in of aan een bedrijfspand worden aangebracht en die op zich of als gevolg van een vervaardigingshandeling als afzonderlijke goederen zijn aan te merken. Wordt een dergelijke installatie in of aan een pand vervaardigd door het ter plaatse samenvoegen van losse apparaten, onderdelen aan andere materialen (bijvoorbeeld het aanleggen van een centrale verwarmings- of een airconditioningsinstallatie) is de oplevering van de installatie door de vervaardiger immers ook aan te merken als een levering van onroerend goed in de zin van artikel 3, lid 1, letter c van de wet. Wordt een geprefabriceerde installatie in of aan een bedrijfspand aangebracht (bijvoorbeeld een zonwering) dan zal sprake zijn van de levering van een roerend goed in de zin van artikel 3, lid 1, letter f van de wet.

Een omvangrijke verbouwing van een bedrijfspand die in zijn geheel genomen niet leidt tot de vervaardiging van een nieuw bedrijfspand kan ook werkzaamheden omvatten die op zich genomen als leveringen in de zin van artikel 3 van de wet dienen te worden aangemerkt.

Een redelijke toepassing van de herzieningsbepalingen brengt naar mijn oordeel dan ook met zich mee dat ook in dit geval de voorbelasting ter zake van deze leveringen wordt herzien overeenkomstig de hiervoor beschreven uitgangspunten. Ingeval de aftrek van voorbelasting wordt herzien zal steeds artikel 13a van de Uitvoeringsbeschikking van toepassing zijn; immers de artikelen 13 en 13a zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden in die zin dat het laatste artikel het sluitstuk bevat op de in het eerstgenoemde artikel vervatte regeling.

In gevallen waarin installaties die aan een huurder van een bedrijfspand zijn geleverd op grond van artikel 3, lid 1, letter c of f van de wet door de huurder in of aan het desbetreffende pand worden achtergelaten en worden overgedragen aan de verhuurder of aan een nieuwe huurder, zal deze overdracht als een levering in de zin van artikel 3,lid 1, e moeten worden aangemerkt.

Download PDF