Carnavalsverenigingen

24 februari 1995 – VB95/714

Carnavalsverenigingen

Conform de toezegging in het op 21 februari 1995 met uw commissie gevoerde overleg, moge ik inzake de bovenvermelde problematiek het volgende onder uw aandacht brengen.

Carnavalsverenigingen zijn van oudsher, ook al onder de Wet op de omzetbelasting 1954, aan de omzetbelasting onderworpen geweest. Dat is het gevolg van het ruime ondernemersbegrip in de omzetbelasting. Met name in de rechtspraak van het Hof van Justitie komt tot uiting dat de Zesde BTW-richtlijn aan de omzetbelasting een zeer ruime werkingssfeer toekent, die zich uitstrekt tot alle stadia van de produktie, de distributie en de dienstverrichting. Het BTW-stelsel heeft betrekking op alle economische activiteiten, van welke aard dan ook. Het feit dat de activiteiten plaatshebben over slechts een beperkte periode, doet aan het ondernemerschap niet af. Evenmin vereist het ondernemerschap, anders dan in de inkomstenbelasting, dat winst wordt beoogd of gemaakt. De conclusie is dan ook dat carnavalsverenigingen terecht als ondernemer worden aangemerkt. De prestaties jegens leden of derden zijn derhalve in beginsel belast met omzetbelasting.

Bij carnavalsverenigingen is de vraag aan de orde of de zgn. sociaal/culturele vrijstelling kan worden toegepast. Die vrijstelling is nader geregeld in artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 alsook in bijlage B bij dat besluit. Belangrijke voorwaarden die aan de toepassing van de vrijstelling zijn verbonden, zijn dat met de desbetreffende prestaties geen winst wordt beoogd en dat er niet een ernstige verstoring plaatsvindt van de concurrentieverhoudingen ten opzichte van ondernemers die winst beogen. Bij de toetsing voor een eventuele opname in bijlage B spelen dus niet alleen het sociale of culturele karakter van de te beoordelen prestaties een rol, maar ook die beide voorwaarden. In enkele activiteiten van carnavalsverenigingen zijn op zichzelf culturele elementen te onderkennen, die daarom zeker hun plaats hebben binnen de culturele uitingen in Nederland. De hoofdactiviteiten van carnavalsverenigingen, te weten het organiseren van feestelijke bijeenkomsten en het verstrekken van spijzen en dranken, zijn daarentegen als zodanig niet cultureel van aard en zijn bovendien van dien aard dat concurrentie met de normale horeca-ondernemers en organisatoren van evenementen aan de orde is. Om die reden is op deze vraag door mijn ambtsvoorganger afwijzend gereageerd. In artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit OB 1968 is overigens een algemene uitzondering op de vrijstelling opgenomen voor het verstrekken van spijzen en dranken. Die prestatie is dus in alle gevallen belast. Vanwege de onvermijdelijk daaruit voortvloeiende concurrentieverstoring is het ongewenst die uitzondering specifiek voor carnavalsverenigingen, zo opname in bijlage B zou worden overwogen, op te heffen.

Ook is de vraag voorgelegd of carnavalsverenigingen de zgn. BTW-kantineregeling mogen toepassen. Bij resolutie van 27 juni 1980, nr. 080-1088, is die regeling getroffen ten aanzien van de exploitatie van een kantine door verenigingen en instellingen die werkzaam zijn op het gebied van sport of recreatie dan wel op sociaal of cultureel gebied. Op grond van deze regeling kunnen de aldus verrichte kantine-activiteiten, zijnde de normale nevenactiviteiten van de instelling of vereniging, onder bepaalde voorwaarden buiten de heffing van omzetbelasting blijven. De aan de kantine-regeling verbonden voorwaarden en de formulering ervan zijn in nauw overleg niet alleen met overkoepelende organisaties van de betrokken instellingen maar ook, en vooral, met de horeca-organisaties tot stand gekomen. Dit heeft direct te maken met de concurrentie-positie van met name de horeca. Een belangrijke voorwaarde is dat de jaarlijkse kantine-omzet niet hoger is dan een bepaald bedrag (thans: f 125 000). Verder kan worden gewezen op de voorwaarde dat de kantine niet ten behoeve van derden wordt opengesteld voor het organiseren van evenementen, zoals bijvoorbeeld bruiloften, feesten en jubilea.

De kantine-regeling heeft specifiek tot doel de bijkomstige activiteiten die een instelling of vereniging, waarvan de hoofdactiviteiten zijn vrijgesteld, vanuit de kantine verricht, buiten de heffing te laten. De activiteiten van carnavalsverenigingen op het terrein van de verstrekking van spijzen en dranken zijn daarentegen als hoofdactiviteiten aan te merken. Daarom en omdat carnavalsverenigingen zich bezig houden met het organiseren van evenementen e.d., hetgeen de toepassing van de kantine-regeling juist uitsluit, zie ik beleidsmatig geen mogelijkheid evenbedoelde faciliteit van overeenkomstige toepassing te verklaren. Het verlenen van een vrijstelling voor de spijzen- en drankenomzet van carnavalsverenigingen, ook al blijft die omzet onder de gestelde grens, leidt bovendien, daar een kantine qua bedrijfsvoering aanzienlijk verschilt met de accommodatie van een carnavalsvereniging, onherroepelijk tot concurrentieverstoring.

Niettemin ben ik mij ervan bewust, dat bij carnavalsverenigingen de BTW tot specifieke problemen kan leiden. Wat betreft de administratieve verplichtingen – het gaat dan eigenlijk om het boeken van de inkopen, de onkosten en de ontvangsten – ga ik er vanuit dat dat de vereniging in de regel weinig moeite zal kosten. Immers ook zonder omzetbelastingplicht zal de vereniging voor een goed functioneren en het afleggen van verantwoording naar de leden een goede vastlegging van de activiteiten moeten hebben.

Bij het bepalen van de afdracht omzetbelasting over de verkopen kunnen zich praktische problemen voordoen. Eetwaren en frisdranken zijn namelijk belast naar het verlaagde BTW-tarief, terwijl voor alcoholische dranken (o.a. bier en wijn) het algemene BTW-tarief geldt. De (kas)ontvangsten kunnen in dit geval niet goed worden gesplitst naar de toe te passen tarieven. Voor die gevallen is het mijns inziens redelijk dat de regeling die bekend is als de zgn. forfaitaire berekeningsmethode naar analogie wordt toegepast. Alsdan kan, uitgaande van de inkopen en de bruto-winstpercentages, een splitsing worden gemaakt van de omzet. Deze regeling wordt ook toegepast door winkeliers, horeca-ondernemers e.d. Gezien de omstandigheden bestaat van mijn kant de bereidheid te onderzoeken of de afwikkeling van de afdracht van omzetbelasting kan geschieden aan de hand van een forfaitair percentage van de omzet. Ik zal in overleg met de inspecteurs bevoegd voor Limburg en Brabant een en ander laten uitwerken. Daarbij zal contact worden opgenomen met de Bond van carnavalsverenigingen in Limburg. Uiteraard zal de regeling voor het hele land gelden. Ik verwacht niet anders dan dat er een adequate regeling tot stand komt.

Met dit laatste is tevens de vrees weggenomen dat de carnavalsverenigingen verschillend worden behandeld. In dit kader kan dan ook het doen van aangifte worden bezien. Zo zal het wellicht mogelijk zijn eerst met ,,schattingsaangiften’’ te werken. De vereniging heeft dan tijd om de omzetbelastingschuld wat later definitief vast te stellen.

Met betrekking tot giften en donaties merk ik op dat deze bij carnavalsverenigingen niet met BTW worden belast. Hetzelfde geldt voor contributies die carnavalsverenigingen ontvangen ter bestrijding van de kosten welke zijn verbonden aan de werkzaamheden die een carnavalsvereniging, direct of indirect, in het belang van haar leden als geheel verricht.

Ik vertrouw er op u met het vorenstaande voldoende te hebben geïnformeerd. De aanwijzingen zal ik ook zo spoedig mogelijk aan de belastingdienst kenbaar maken.

Download PDF