Fiscale behandeling van sportorganisaties

17 mei 2000 – DB00/1353M

Fiscale behandeling van sportorganisaties

De Staatssecretaris van VWS en de Staatssecretaris van Financiën hebben het volgende overzicht aangeboden aan de Tweede Kamer.

 

Hierbij doen wij u een overzicht toekomen van onderwerpen die de fiscale behandeling van sportorganisaties raken. Dit overzicht is onder meer aangekondigd bij de behandeling van het Belastingplan 2000 (vergaderjaar 1999-2000, 26 820, nr. 38) en is voor sportorganisaties een uitvloeisel van een eerder aangekondigde inventarisatie naar knelpunten bij de belastingheffing van verenigingen en stichtingen. Wij verwijzen hiervoor naar de antwoorden op vragen van het lid van de Tweede Kamer Reitsma over de fiscale behandeling van vrijwilligersorganisaties (vergaderjaar 1998-1999, aanhangsel van de Handelingen, 1172). Ook bij de behandeling van de begroting 2000 van VWS heeft de Tweede Kamer vragen gesteld over de financiële positie van sportverenigingen.

De sport neemt in de samenleving een belangrijke plaats in. In de kabinetsnota ‘Wat sport beweegt’ (vergaderjaar 1996-1997, 25 125, nr. 1) heeft het vorige kabinet de maatschappelijke betekenis van de sport aangegeven en de doelstellingen van het sportbeleid geformuleerd. In het regeerakkoord van het huidige kabinet is de waarde die wordt gehecht aan het instandhouden van een ‘gezonde’ sportsector onderstreept door onder andere het beschikbare sportbudget, tranchegewijs, te verdubbelen.

De sportsector drijft op de kracht van een groot aantal (ongeveer 400 000) vrijwilligers. De sportsector en de vrijwilligers in de sport worden geconfronteerd met afnemende subsidies, hogere huurtarieven, toegenomen verantwoordelijkheden en strakkere regelgeving. Bij de regelgeving gaat het niet slechts om fiscale maatregelen, maar ook om regelgeving op andere terreinen. Voor de regelgeving op andere terreinen kan worden gedacht aan bijvoorbeeld het bewijs Sociale Hygiëne en de daaraan verbonden aanwezigheids-eis voor leidinggevenden. Hiervoor is in overleg met de sportsector een bestuurlijke oplossing gevonden in de Drank- en Horecawet. Het aantal leidinggevenden dat dient te beschikken over het bewijs Sociale Hygiëne

is beperkt en de opleiding die tot het bewijs leidt, wordt sportspecifiek aangepast. De sportsector zelf ontwikkelt een bestuursreglement, dat in het kader van het beleid tot matiging van het alcoholgebruik algemeen toepasbaar wordt voor de sportverenigingen.

Op fiscaal gebied is de energiebelasting (ecotax) een voorbeeld van een recente maatregel die tot een lastenverzwaring voor de sportsector dreigde te leiden. In overleg tussen het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het ministerie van Financiën en de sportsector is een oplossing gevonden door een bedrag van f 30 miljoen structureel aan de VWS-begroting toe te voegen.

NOC*NSF speelt een grote rol bij de belangenbehartiging van de georganiseerde sport en de daarbij aangesloten sporters. De ministeries van Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport hebben met NOC*NSF overleg gevoerd over fiscale maatregelen ter versterking van de positie van de sportsector en ter stimulering van het vrijwilligerswerk. In onderstaande inventarisatie wordt ingegaan op de onderwerpen waarover recent een beslissing op fiscaal terrein is gepubliceerd. Vervolgens is vermeld voor welke aan de orde gestelde onderwerpen geen voorziening kon worden getroffen. Het overzicht wordt besloten met een beschrijving van de onderwerpen waarover nog nadere besluitvorming over de mogelijke fiscale begeleiding zal plaatsvinden.

Met betrekking tot veel onderwerpen die de sport raken, zijn recent beslissingen op fiscaal terrein gepubliceerd. Het gaat daarbij om een breed scala van beslissingen, variërend van voorzieningen op het gebied van ecotax en bedrijfsfitness tot regelingen om vrijwilligersorganisaties onder voorwaarden niet in de vennootschapsbelasting te betrekken en om de wederverkoop van loten door (sport)verenigingen buiten de heffing van omzetbelasting te laten. Deze recent genomen beslissingen worden als volgt toegelicht.

 

– Regulerende energiebelasting

Tijdens de algemene financiële beschouwingen van 6 oktober 1999 heeft de Minister van Financiën toegezegd te zullen zoeken naar een mogelijkheid om de heffing van regulerende energiebelasting (REB) van sportverenigingen te compenseren. In overleg met de Minister van VWS en de sportsector is ervoor gekozen een bedrag van f 30 miljoen structureel aan de VWS-begroting toe te voegen, hetgeen aan de Tweede Kamer is meegedeeld per brief van 28 oktober 1999 (vergaderjaar 1999-2000, 26 800, IX B, nr. 15).

Met behulp van deze middelen zal compensatie worden geboden aan de sportsectoren waar de REB wordt betaald. In samenspraak tussen VWS en de sportsector wordt aan de manier van compensatie vormgegeven. De inzet is om met behulp van de sportbonden een zodanig systeem op te zetten dat die sportverenigingen worden gecompenseerd die ook aantoonbaar energieheffing hebben betaald.

 

– Belastingvrije kostenvergoeding voor vrijwilligers

De vergoeding die belastingvrij aan vrijwilligers gegeven kan worden, is met ingang van 1 januari 1998 verhoogd van f 1200 tot f 1400 per jaar. Daarbij is de vrijwilligersregeling nauwer op de praktijk afgestemd doordat het jaarbedrag vanaf 1998 al in 35 weken kan worden bereikt in plaats van in 48 of 50 weken zoals in de jaren tot en met 1997. In overeenstemming met de wens van de Tweede Kamer om de bedragen van de vrijwilligersregeling te indexeren, zijn die bedragen met ingang van 1 januari 1999 verhoogd tot f 41 per week en f 1435

per jaar. Dit is vastgelegd in het besluit van 18 februari 1999, nr. DB99/383M, VN 1999/16.17, blz. 1407. Daarbij is tegelijkertijd de reikwijdte van de regeling vergroot door deze ook open te stellen voor sportverenigingen of -stichtingen die een onderneming drijven.

Per 1 januari 2000 zijn de bedragen verhoogd tot f 42 per week en f 1470 per jaar. Bij het voorgaande wordt nog opgemerkt dat een verdere fiscale begeleiding van het vrijwilligerswerk geen reële optie is, al was het maar omdat met fiscale maatregelen niet alle vrijwilligers of vrijwilligersorganisaties worden bereikt en omdat een (niet louter op indexcijfers gebaseerde) verhoging van het vrijgestelde bedrag de ongelijkheid tussen de vrijwilligers zal versterken. Zeer veel organisaties kunnen de bovengenoemde bedragen immers al niet betalen, zodat een verhoging van het vrijgestelde bedrag voor die organisaties geen enkel effect zal sorteren. Daarnaast mag niet uit het oog worden verloren dat de vrijwilligersregeling is getroffen om redenen van eenvoud en doelmatigheid, zodat bij relatief geringe vergoedingen zonder nader onderzoek kan worden aangenomen dat de vergoeding slechts strekt tot bestrijding van kosten. Een (niet louter op indexcijfers gebaseerde) verhoging van het vrijgestelde bedrag zou dat uitgangspunt geweld aandoen.

De waardering voor vrijwilligerswerk wordt op een meer adequate wijze tot uitdrukking gebracht indien de vrijwilligersorganisaties een bedrag zouden ontvangen waarmee zij een tegemoetkoming kunnen verstrekken in de door hun vrijwilligers gemaakte kosten. De eerste ondergetekende zal, mede in het licht van het internationale jaar van de vrijwilliger in 2001, deze gedachte aan de orde stellen tijdens de begrotingsbesprekingen.

 

– Regeling voor bedrijfsfitness en fietsregeling

Werkgevers worden fiscaal gestimuleerd om de fitheid van werknemers te bevorderen. Naast het al geruime tijd bestaande instrumentarium om fietsen voor woon-werkverkeer fiscaalvriendelijk te schenken of ter beschikking te stellen, kan de werkgever nu ook in meer gevallen zorgen voor faciliteiten voor bedrijfsfitness tijdens de arbeidstijd. Daartoe zijn de waarderingsvoorschriften in de loonbelasting zodanig aangepast dat voor de nihil-waardering niet langer is vereist dat de bedrijfsfitness plaatsvindt op de plaats waar arbeid wordt verricht. Zie hiervoor het antwoord op vragen van de leden van de Tweede Kamer Reitsma en Verburg (vergaderjaar 1998-1999, Aanhangsel, 1148) en de wijziging van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 d.d. 3 maart 2000, Stcrt. 2000, nr. 46. Met deze maatregel is de faciliteit ook binnen bereik gekomen van kleine ondernemingen, van werkgevers met nevenvestigingen waar geen sportzaal aanwezig is en van medewerkers in de buitendienst. De maatregel werkt in beginsel terug tot 1 januari 1999.

In hetzelfde besluit tot wijziging van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 is het maximale bedrag van de catalogusprijs van de fiets voor de fietsregeling met ingang van 1 januari 2000 verhoogd van f 1500 tot f 1650. Daardoor kunnen inhoudingsplichtigen die het fietscontract met hun werknemers willen verlengen eenzelfde pakket aanbieden als voorheen.

 

– Vrijwilligers en fiscale winstbepaling

In de sfeer van de vennootschapsbelasting is een regeling getroffen over de werkzaamheid van vrijwilligers in relatie tot de eventueel bestaande belastingplicht voor de vennootschapsbelasting. Volgens deze regeling kunnen vrijwilligersorganisaties buiten de heffing van de vennootschapsbelasting blijven als bij hen een winststreven ontbreekt en zij ook daadwerkelijk minder winst maken dan f 13 000 per jaar (of minder dan f 65 000 in vijf jaar). Bij de beoordeling of

hieraan wordt voldaan mogen organisaties, die gebruik maken van de inzet van vrijwilligers in dit verband rekenen met fictieve loonkosten. Daarmee zullen zij minder snel of in het geheel niet in de belaste sfeer komen. De bedoeling van de regeling is dat instellingen die wel winst maken, maar deze winst vooral te danken hebben aan de inzet van vrijwilligers, onder voorwaarden zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting indien zij die winst gebruiken voor het doel van de vereniging of stichting. Een en ander is geregeld in het besluit van 9 april 1999, nr. DB99/1333, V-N 1999/20.11, blz. 1809. De regeling is al met ingang van 1 januari 1999 van kracht.

 

– Verkoop van loten

(Sport)verenigingen kunnen door deelneming aan de wederverkoop van loten middelen verwerven ten behoeve van de eigen vereniging. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan loten voor de Grote Clubactie en de Actie Sportkas. Goedgekeurd is dat de wederverkoop van dergelijke loten bij de deelnemende verenigingen buiten de heffing van omzetbelasting blijft, mits terzake geen voorbelasting in aftrek wordt gebracht. Hierdoor blijft de omzetgrens voor de vrijstelling van omzetbelasting voor fondswervende diensten, zoals neergelegd in artikel 11, eerste lid, onderdeel v, van de Wet op de omzetbelasting 1968, geheel beschikbaar voor andere vormen van fondswerving. Dit is vastgelegd in het besluit van 4 augustus 1999, nr. VB/1303, V-N 1999/36.20, blz. 3298.

 

– Ter beschikking stellen personeel

Besloten is om sportservicebureaus met betrekking tot het ter beschikking stellen van trainers en/of coaches aan amateursportclubs of -verenigingen buiten de heffing van omzetbelasting te laten.

De sportservicebureaus zijn een initiatief van de provinciale sportraden. Deze bureaus hebben geen winstoogmerk en hebben tot doel clubs en verenigingen te ontlasten van de bijzondere aspecten die verbonden zijn aan het werkgeverschap voor trainers en/of coaches. Dit standpunt is vastgelegd in het besluit van 10 maart 2000, VB 1999-02640, Infobulletin 2000/227.

 

– Subsidies ten behoeve van het onderhoud van de sportaccommodatie

In het kader van de privatisering van gemeentelijke taken wordt het onderhoud van sportvelden en sportaccomodaties in toenemende mate overgelaten aan de verenigingen die deze velden en accomodaties zelf gebruiken. Ter bestrijding van de kosten die aan dit onderhoud zijn verbonden, verstrekken gemeenten subsidies aan die sportverenigingen. Deze onderhoudssubsidies, ook wel aangeduid met ‘maaisubsidies’, kunnen buiten de heffing van omzetbelasting blijven.

Dit standpunt is vastgelegd in het besluit van 17 maart 2000, VB 2000-00513, Infobulletin 2000/229.

Naast de drie laatstgenoemde onderwerpen heeft NOC*NSF ook nog enkele andere punten op het gebied van de omzetbelasting aan de orde gesteld. Het gaat daarbij om de volgende onderwerpen:

1. kantinevrijstelling;

2. sponsoring door ondernemers die geen recht hebben op volledige aftrek van voorbelasting;

3. fondswervingsvrijstelling voor diensten; en

4. toegang tot commercieel geëxploiteerde sportaccommodaties.

Voor het eerste punt geldt dat een verruiming van de kantinevrijstelling de concurrentiepositie van de horecasector negatief beïnvloedt. Daarom heeft de ambtsvoorganger van de tweede ondergetekende tijdens de Algemene ledenvergadering van NOC*NSF op 11 mei 1999 aangegeven dat de vrijstelling alleen zou kunnen worden verruimd indien men daarover met de horecasector overeenstemming zou bereiken. Inmiddels heeft Horeca Nederland duidelijk gemaakt dat deze overeenstemming niet zal worden bereikt. Een verdere discussie over de verruiming van de kantinevrijstelling is daarom thans niet opportuun.

Met betrekking tot het tweede punt wordt er nadrukkelijk de aandacht op

gevestigd dat de Zesde BTW-richtlijn geen mogelijkheden biedt om deze wens te realiseren. De Zesde BTW-richtlijn staat niet toe dat de vrijstelling voor fondswerving (waar sponsoring deel van uitmaakt) afhankelijk wordt gesteld van het BTW-regime waaraan de sponsor onderworpen is.

Tegen een verruiming van de fondswervingsvrijstelling (punt drie) bestaan ook Europeesrechtelijke bezwaren. Het bedrag dat in Nederland gehanteerd wordt is al vrij hoog. De fondswervingsvrijstelling zoals die is opgenomen in de Zesde BTW-richtlijn, is primair bedoeld om de administratieve lasten van verenigingen en stichtingen enigszins te verlichten, niet om BTW-vrij hoge sponsorbedragen binnen te halen. Overigens, wanneer een sportvereniging aan haar sponsor een BTW-factuur overhandigt, is deze BTW aftrekbaar bij de sponsor voor zover

deze BTW-belaste prestaties verricht.

Het belangrijkste bezwaar tegen het vierde punt is dat bij de reparatiewetgeving inzake oneigenlijk gebruik van de BTW-wetgeving met betrekking tot verhuur van onroerende zaken, ook voor sportverenigingen ongewenste situaties zijn beëindigd. De opbrengst van de reparatiewetgeving is teruggesluisd naar de sportsector, onder meer door het verlenen van toegang tot sportwedstrijden van het algemene naar het verlaagde BTW-tarief over te brengen. Het commercieel exploiteren van sportaccommodaties nu langs wettelijke weg volledig overbrengen van het algemene naar het verlaagde BTW-tarief zou (nog afgezien van de budgettaire effecten) betekenen dat de sportsector twee maal compensatie ontvangt in verband met de bestrijding van oneigenlijk gebruik van de belastingwetgeving.

Van verhuur van een onroerende zaak is geen sprake bij het verlenen van toegang tot sportaccommodaties waarvan het gebruik niet exclusief is. Dit is bijvoorbeeld het geval bij ijs- en golfbanen; sporters delen in deze gevallen een sportaccommodatie met elkaar. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de huur van een tennisbaan waarvan het gebruik tijdens de huurperiode exclusief is.

Voor de niet-commerciële exploitatie van ijsbanen, golfbanen, e.d. is een vrijstelling van toepassing. Op de commerciële exploitatie van deze sportaccommodaties is het algemene BTW-tarief van toepassing. Overigens zal aan het gebruik van sportaccommodaties aandacht worden besteed in de aan de Kamer toegezegde

brede notitie over de indirecte belastingen. Zoals al is opgemerkt aan het begin van dit overzicht is bij een aantal sportgerelateerde onderwerpen de besluitvorming nog niet afgerond. Voor die aandachtspunten zal de mogelijke fiscale begeleiding nog moeten worden ingevuld. Hierbij kan worden gedacht aan de onderstaande onderwerpen.

 

– Voorlichtingspakket

De Belastingdienst heeft momenteel schriftelijk voorlichtingsmateriaal voor de sportsector beschikbaar. Dit voorlichtingsmateriaal zal worden uitgebreid tot een breder voorlichtingspakket. Dit bredere pakket voor de sportsector gaat bestaan uit een nog te ontwikkelen website en uit aangepast schriftelijk voorlichtingsmateriaal.

De Belastingdienst zal dit voorlichtingspakket in overleg

met de overkoepelende sportorganisaties en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport beter afstemmen op de informatiebehoefte van de sportsector. Bij de ontwikkeling van dit pakket zal een on-line vragenloket worden geopend.

Het streven is erop gericht dit pakket in september 2000 bij de aanvang van het nieuwe sportseizoen beschikbaar te hebben.

 

– Fictieve dienstbetrekking beroepssporters

In het wetsvoorstel ‘Maatregelen aangaande het loon 2000’ (vergaderjaar 1999-2000, 26 941, nr. 2) is aangekondigd dat gebruik zal worden gemaakt van de al bestaande delegatiebevoegdheid op grond waarvan het loonbelastingregime van toepassing wordt op de sporters die in Nederland een tak van sport als beroep beoefenen. Voor de aanwezigheid van een fictieve dienstbetrekking is het niet van belang of de sporter in Nederland of in het buitenland woont.

In het wetsvoorstel wordt bovendien voorzien in een vast heffingspercentage van 20% voor de in het buitenland wonende sporter, die in Nederland ingevolge een overeenkomst van korte duur een tak van sport als beroep uitoefent. Bij grensoverschrijdende evenementen kan dit tarief ten behoeve van een uniforme heffing met maximaal 5%-punten neerwaarts worden aangepast aan het niveau dat in de desbetreffende andere landen wordt gehanteerd. Met deze regeling wordt tegemoetgekomen aan het bezwaar van de sportsector dat het voor organisatoren van evenementen veelal lastig is om topsporters naar Nederland te krijgen omdat tot op heden duidelijke regelgeving ontbreekt.

 

– Vaste kostenvergoedingen topsporters

Bezien wordt of topsporters onder de voorgestelde belastingherziening 2001 gebruik kunnen maken van onbelaste vaste kostenvergoedingen. Daarvoor is allereerst vereist dat sprake is van een echte of fictieve dienstbetrekking, omdat buiten de loonsfeer geen onbelaste vaste kostenvergoedingen kunnen worden verstrekt. Voor een door de inhoudingsplichtige te verstrekken onbelaste vaste kostenvergoeding is het bovendien nodig dat de betrokken sporters uit het oogpunt van te maken kosten als een homogene groep zijn aan te merken.

 

– Subsidies en fiscale winstbepaling

Instellingen ontvangen soms subsidies die op meerdere jaren betrekking hebben, hetgeen van belang kan zijn voor de eventuele heffing van vennootschapsbelasting. Van de ontvangen subsidie moet eerst worden vastgesteld of die wordt ontvangen door een belastingplichtig(e) (deel van de) instelling. Is dat niet het geval, dan zijn daaraan op fiscaal terrein uiteraard geen gevolgen verbonden. Is dat wel het geval, dan valt de subsidie in de zogenaamde totaalwinst van dat lichaam. Op welk moment de subsidie in de jaarwinst tot uitdrukking komt, hangt af van de vorm van de subsidie en van de voorwaarden waaronder de subsidie is verstrekt. Een exploitatiesubsidie zal over het algemeen worden opgenomen in de winst van het jaar waarvoor de subsidie is toegekend. Wanneer een subsidie wordt verstrekt die duidelijk aanwijsbaar verband houdt met bepaalde kosten of bepaalde investeringen, kan de subsidie op grond van goed koopmansgebruik worden toegerekend aan het jaar of de jaren waarin de bewuste uitgaven worden gedaan. Het toerekeningsvraagstuk is dus voor een groot deel op te lossen door een op maat gesneden toekenning van de subsidie. Bezien wordt of een regeling moet worden getroffen voor de situatie waarin goed koopmansgebruik op grond van de huidige inzichten geen oplossing biedt.

Uit de vorenstaande inventarisatie blijkt dat een groot aantal beslissingen is genomen, waarbij zoveel als mogelijk is een passende fiscale begeleiding heeft plaatsgevonden van onderwerpen die de sportsector raken. In de nabije toekomst zullen op de aangeduide terreinen nadere stappen worden gezet. De (toegankelijkheid van de) informatievoorziening voor vrijwilligers en sportorganisaties zal daarbij bijzondere aandacht krijgen.

Download PDF