Heffing van omzetbelasting ten aanzien van universiteiten en hogescholen

11 augustus 1986 – 286/11322

Heffing van omzetbelasting ten aanzien van universiteiten en hogescholen

Naar mij is gebleken worden ten aanzien van universiteiten en hogescholen, zijnde instellingen van wetenschappelijk onderwijs in de zin van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, de geldende wettelijke bepalingen inzake de heffing van omzetbelasting in de praktijk niet in alle gevallen op gelijke wijze en overigens ook niet steeds op de juiste wijze toegepast. In verband hiermede is, met vertegenwoordigers van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen en van betrokken instellingen een aantal besprekingen gevoerd, welke tot doel hadden om gezamenlijk te bezien op welke wijze aan de desbetreffende instellingen in praktisch opzicht meer duidelijkheid en zekerheid in dezen zou kunnen worden geboden. In het ter zake gevoerde overleg is een aantal mogelijkheden besproken ter verwezenlijking van de hiervoor weergegeven doelstelling. Dienaangaande breng ik het volgend onder uw aandacht.

Het blijkt dat de universiteiten en hogescholen onderling nogal van elkaar verschillen. Met name lopen hun activiteiten voor at betreft de omvang en de aard ervan sterk uiteen. In verband daarmee bleek het niet goed mogelijk ten aanzien van alle voorkomende situaties een op omzetbelastingtechnisch terrein te volgen uniforme gedragslijn op te stellen. Vanwege de aanzienlijke onderlinge verschillen moet het ook uitgesloten worden geacht dat, zoals aanvankelijk is overwogen, de ter zake verschuldigde omzetbelasting wordt voldaan naar een voor alle instellingen gelijk forfaitair percentage.

De in de besprekingen naar voren gebrachte gegevens bieden overigens wel de mogelijkheid om ter zake van een aantal gevallen althans op hoofdpunten aanwijzingen op te stellen welke door de universiteiten en hogescholen kunnen worden gehanteerd. Deze aanwijzingen betreffen met name het ondernemersbegrip van artikel 7 en de toepassing van de vrijstelling van artikel 11, lid 1, letter o, p 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968, welke vrijstellingsbepaling is gebaseerd op artikel 13, A, lid 1, letter i, van de 6e E.G.-Richtlijn inzake omzetbelasting.

Hieronder wordt met betrekking tot een aantal belangrijke door universiteiten en hogescholen (verder gemakshalve te noemen: universiteiten) verrichte prestaties aangegeven welke omzetbelastingtechnische regelingen ter zake van toepassing kunnen zijn.

 

1.  Contractresearch

Naast het verstrekken van wetenschappelijk onderwijs behoort het verrichten van onderzoek tot de uit het wezen van de universiteiten voortvloeiende activiteiten. Er wordt niet alleen onderzoek verricht dat een geïntegreerd deel uitmaakt van het ten behoeve van de studenten opgestelde onderwijsprogramma, doch er vindt eveneens onderzoek plaats in opdracht en geheel of gedeeltelijk voor rekening van derden, zoals overheid en bedrijfsleven, welk onderzoek ook wel contractresearch wordt genoemd. In dit laatste geval is naar mijn oordeel sprake van een als ondernemer verrichte en voor de heffing van omzetbelasting belastbare prestatie, i.e. een dienst in de zin van artikel 4 van de Wet. Aangezien de dienst bestaande in het verrichten van contractresearch, mede gelet op de hieromtrent gewezen jurisprudentie (in dit verband wordt verwezen naar bijgevoegde uitspraak), niet kan delen in enigerlei wettelijke vrijstelling en onder de gegeven omstandigheden evenmin om andere redenen buiten de heffing van omzetbelasting kan blijven, zijn de universiteiten ter zake daarvan omzetbelasting verschuldigd. Te dezen zij er overigens op gevezen dat zulks mijns inziens niet anders is, indien bijv. een rijksuniversiteit in opdracht van de rijksoverheid onderzoek verricht.

Het zal in de praktijk zeker niet steeds eenvoudig zijn om te beoordelen of er sprake is van contractresearch. Dit dient van geval tot geval aan de hand van de ter zake relevante feiten en omstandigheden te worden bezien. Zo zal bijv. naar mijn mening onderzoek als zodanig zijn te qualificeren als contractresearch, indien het onderzoek plaatsvindt op initiatief van derden dan wel erop is gericht toe te werken naar een bepaald door derden gewenst resultaat. In het laatste geval is het omzetbelastingtechnisch gezien uiteraard niet van belang op welke wijze deze derden feitelijk over het aldus verkregen resultaat kunnen beschikken. Het is goed mogelijk dat de resultaten en bevindingen van het onderzoek via publikatie algemeen bekend worden gemaakt.

Voor alle duidelijkheid wijs ik er in dit verband op dat – gedeelten van – de rijksbijdrage als bedoeld in artikel 96bis van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, gezien de aan deze bijdrage ten grondslag liggende doelstelling, in elk geval niet kan worden aangemerkt als een vergoeding voor contractresearch. In beginsel kan er voorshands van worden uitgegaan dat zulks ook geldt ten aanzien van de, veelal onder de naam subsidies, verstrekte bijdragen van meer in het algemeen belang werkende organisaties en instellingen als de Nederlandse Hartstichting, het Koningin Wilhelmina Fonds, alsmede van de Nederlandse organisatie voor zuiver-wetenschappelijk onderzoek, Z.W.O., tenzij de omstandigheden waaronder de bijdrage wordt verstrekt van zodanige aard zijn dat volstrekt duidelijk is dat van contractresearch dient te worden gesproken. Ingeval hierover twijfel bestaat, ligt het voor de hand dat de desbetreffende universiteit de kwestie ter beoordeling aan u zal voorleggen.

 

2.  Het verstrekken van collegedictaten, syllabi, fotokopieën, publicaties en ander dergelijk studiemateriaal.

Aan de studenten wordt naast het onderwijs tevens bovenvermeld op het onderwijs gericht alsmede in het kader van het onderwijs benodigd en dientengevolge nauw daarmee samenhangend studiemateriaal verstrekt. Het ontmoet dan ook geen bezwaar dat – voor zover nodig – ter zake de vrijstelling als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter o, punt 1, van de Wet toepassing vindt. Alsdan is geen omzetbelasting verschuldigd en ontvalt tevens het recht om de voorbelasting in aftrek te brengen. Hieraan verbind ik evenwel de voorwaarde dat de plaats van waaruit dergelijk studiemateriaal wordt verkocht niet het karakter te boven gaat van een interne op de verkoop aan de eigen studenten gerichte inrichting. Verder kan ik mij er mee verenigen dat heffing van omzetbelasting achterwege blijft ter zake van een eventueel zich voordoende levering in de zin van artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet, mits uiteraard geen aanspraak wordt gemaakt op de aftrek van voorbelasting.

 

3.  Rechten uit intellectuele eigendom.

De door universiteiten verrichte prestatie bestaande in het verlenen van licentierechten, octrooirechten, auteursrechten enz. is in beginsel aan de heffing van omzetbelasting onderworpen. Naar mijn oordeel is in deze steeds sprake van optreden als ondernemer in het maatschappelijk verkeer, terwijl ter zake ook geen van de in artikel 11 van de Wet neergelegde vrijstellingen toepassing kan vinden. Voor de beantwoording van de vraag vaar deze prestatie plaatsvindt zij verwezen naar het bepaalde in artikel 6, lid 2, letter e, punt 1, van de Wet.

 

4.  Ruimten, accommodatie en computerfaciliteiten met bijbehorend beheer.

Het blijkt dat universiteiten onderling nogal eens gebruik maken van bovenvermelde faciliteiten welke bij een van deze instellingen in beheer zijn. Dit gegeven in aanmerking nemende kan ik mij er voorshands mee verenigen dat, voor zover de terbeschikkingstelling van deze faciliteiten door universiteiten aan andere instellingen binnen de sfeer van het onderwijsgebeuren is gelegen, ter zake heffing van omzetbelasting achterwege blijft, mits wordt afgezien van de aftrek van voorbelasting. Ik behoud mij evenwel het recht voor om deze goedkeuring opnieuw in overweging te nemen, met name ingeval ten gevolge van deze goedkeuring een verstoring in de concurrentieverhoudingen optreedt. Overigens blijft ter zake van de enkele verhuur van ruimten uiteraard het bepaalde in artikel 11, lid 1, letter b, van de Wet van toepassing.

 

5.  Restauratieve voorzieningen.

Het door universiteiten vanuit de door hen geëxploiteerde kantine verstrekken van spijzen en dranken aan personeel en studenten is in beginsel onderworpen aan de heffing van omzetbelasting. De door de overheid in dit kader gegeven subsidies kunnen in dit verband buiten beschouwing blijven. De op de aldus verstrekte spijzen en dranken betrekking hebbende voorbelasting komt voor aftrek op de voet van de artikelen 15 en 16 van de Wet in aanmerking. Naar mij werd medegedeeld leidt een en ander in veel gevallen tot een teruggaaf van omzetbelasting. Ingeval een universiteit bijv. vanwege te ondervinden administratietechnische problemen in dezen wenst af te zien van het voordeel van de aftrek, behoeft deze instelling op dit punt niet in de heffing te worden betrokken.

Met het vorenstaande kan rekening worden gehouden met ingang van 1 januari 1986 alsmede in gevallen waarin de heffing van omzetbelasting voor tijdvakken voor genoemde datum nog niet onherroepelijk vaststaan.

Zoals ik reeds in de aanhef heb aangegeven, heb ik hierboven volstaan met het geven van aanwijzingen op hoofdpunten. Het staat aan u als de ter zake bevoegde inspecteur natuurlijk vrij om tezamen met de in uw ambtsgebied gevestigde universiteit of hogeschool te bezien of en zo ja in hoeverre meer gedetailleerde, uiteraard de heffing van omzetbelasting op zichzelf eerbiedigende, afspraken kunnen worden gemaakt welke de duidelijkheid en eenvoud op omzetbelastingtechnisch terrein bevorderen. Tevens zullen de van mijn kant gegeven richtlijnen in een aantal gevallen bij de toepassing ervan wellicht nadere invulling behoeven.

Tot slot merk ik op dat de universiteiten en hogescholen van het vorenstaande op de hoogte zullen worden gebracht.

Download PDF