Klacht over concurrentieverstoring van commerciële jachthavens

25 september 2003 – AFP2003/398

Klacht over concurrentieverstoring van commerciële jachthavens

In antwoord op uw bovenvermelde brief waarvan de afhandeling tot mijn spijt is vertraagd, deel ik u het volgende mee.

De Werkgroep Commerciële Jachthavens Zuidelijke Randmeren te Zeewolde (verder te noemen de werkgroep) heeft uw aandacht gevraagd voor haar standpunt dat de Nederlandse overheidsinstanties met betrekking tot non-profit jachthavens in strijd handelen met de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag (steunmaatregelen van de Staten). De werkgroep is van mening dat de concurrentieverstoring tussen commerciële en non-profit jachthavens mede wordt veroorzaakt door een verschillende behandeling bij de heffing van de omzetbelasting, sociale lasten, loonbelasting en inkomsten- of vennootschapsbelasting. In het kader van de artikelen 87 en 88 EG-verdrag heeft de werkgroep op 1 maart 2001 een klacht heeft ingediend bij de Europese Commissie. Naar aanleiding van deze staatssteunklacht heeft de Europese Commissie een formele onderzoeksprocedure geopend (Pb.C 69, p.4-8, 22 maart 2003), die nog niet is afgerond. Het oordeel of er sprake is van al dan niet ongeoorloofde staatssteun is een exclusieve bevoegdheid van de Europese Commissie, welk oordeel ik afwacht. Met betrekking tot de door de werkgroep aan de orde gestelde belastingen informeer ik u als volgt.

 

Omzetbelasting (BTW)

Op grond van artikel 11, lid 1, letter e, en 11, lid 2, van de Wet op de omzetbelasting 1968 zijn vrijgesteld de diensten aan hun leden door organisaties die zich de beoefening en bevordering van sport ten doel stellen, indien daarmee geen winst wordt beoogd. Onder deze diensten valt ook de terbeschikkingstelling van ligplaatsen waardoor deze vrijgesteld zijn van BTW.

Watersportverenigingen komen in beginsel in aanmerking voor toepassing van deze vrijstelling, een stichting of (semi-) overheidslichaam niet.

Van deze vrijstelling zijn uitgezonderd diensten door watersportorganisaties die voor de dienstverlening gebruik maken van een of meer personen in dienstbetrekking in de zin van het burgerlijk recht, voor zover die diensten bestaan in het met behulp van deze personen verrichten van werkzaamheden met betrekking tot vaartuigen, dan wel het ter beschikking stellen van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen. De bedoeling van de uitzondering is concurrentieverstoring ten aanzien van commerciële jachthavens op het vlak van de BTW weg te nemen. Om te voorkomen dat elke dienstbetrekking, hoe gering of incidenteel ook, tot BTW-heffing bij watersportverenigingen leidt is daarbij goedgekeurd dat de BTW-vrijstelling toch toepassing vindt, indien het totale personeel in dienstbetrekking werkzaam ten behoeve van de vereniging over het gehele jaar genomen niet meer dan € 4.538,- aan loon en andere vergoedingen ontvangt. Bij de huidige stand van het wettelijk minimumloon (€ 1.249,- per maand voor een persoon vanaf 23 jaar) zou dan, om de vrijstelling te kunnen blijven toepassen, bijvoorbeeld voor het hele jaar één werknemer in dienst genomen kunnen worden met een gemiddelde werktijd van minder dan ongeveer 12 uren per week of één voltijds medewerker voor minder dan ongeveer 14 weken per jaar, die zich bezighoudt met de haven en/of de vaartuigen van de leden.

Verder zijn op grond artikel 11, lid 1, letter v van de Wet op de omzetbelasting 1968 vrijgesteld leveringen en diensten van bijkomstige aard door voor de hoofdactiviteiten vrijgestelde sportverenigingen, bestaande uit activiteiten ter verkrijging van financiële steun (fondswerving), mits de ontvangsten ter zake van leveringen niet meer bedragen dan € 68.067,- en ter zake van diensten niet meer dan € 31.765,- per jaar. Hieronder valt de terbeschikkingstelling van ligplaatsen aan anderen dan leden.

 

Loonbelasting

Vrijwilligersregeling

De werkgroep vermeldt dat zogenoemde profithavens loonbelasting en sociale lasten afdragen voor het in dienst zijnde personeel terwijl zogenoemde non-profithavens over uurlonen van werkzaamheden door vrijwilligers geen loonbelasting en sociale lasten hoeven af te dragen. Hierover merk ik het volgende op.

Op grond van de zogenoemde vrijwilligersregeling (besluit van 19 december 2000, nr. CPP2000/2727M) blijft de heffing van loonbelasting/premie volksverzekeringen van vrijwilligers onder voorwaarden achterwege. Bij vergoedingen tot € 20 per week met een maximum van € 700 per jaar wordt aangenomen dat de vergoeding strekt tot bestrijding van uitgaven welke de vrijwilliger in verband met het verrichten van de arbeid moet doen. Deze vergoeding kan daarom niet worden aangemerkt als loon voor de loonbelasting. Voor de heffing van de inkomstenbelasting kan ervan worden uitgegaan dat in de hier bedoelde vergoeding geen voordeel is gelegen dat tot het inkomen uit werk en woning is te rekenen.

De goedkeuring geldt niet voor de situatie dat de arbeidsverhouding van de vrijwilliger is aan te merken als een fictieve dienstbetrekking. In deze situatie dient de vrijwilliger op de normale wijze te worden opgenomen in de loonadministratie. Dat geldt uiteraard ook als de vrijwilliger samen met de opdrachtgever ervoor kiest om de arbeidsverhouding als dienstbetrekking te beschouwen.

Onder vrijwilliger wordt in het genoemde Besluit verstaan degene die niet bij wijze van beroep arbeid verricht voor doorgaans één privaat- of publiekrechtelijk lichaam dat niet is onderworpen aan de heffing van de vennootschapsbelasting, dan wel voor doorgaans één sportvereniging of -stichting die op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 aan de vennootschapsbelasting is onderworpen. Hierbij merk ik op dat een belangrijk kenmerk van vrijwilligerswerk is dat de eventueel ontvangen vergoeding niet in verhouding staat tot de omvang en het tijdsbeslag van de verrichte werkzaamheden en het karakter heeft van een kostenvergoeding.

Een en ander betekent dat de toepassing van de vrijwilligersregeling niet mogelijk is door werkgevers in de jachthavenbranche die aan de heffing van de vennootschapsbelasting zijn onderworpen. Hierbij merk ik evenwel op dat zowel profithavens als non-profithavens inhoudingsplichtige voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen zijn voor de werknemers die bij hen in dienstbetrekking zijn. In zulke gevallen kunnen zowel profithavens als non-profithavens gebruik maken van de wettelijke mogelijkheden om vrije vergoedingen of verstrekkingen te geven.

 

Vennootschapsbelasting

In de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 is de vennootschaps-belastingplicht voor lichamen geregeld. Stichtingen en verenigingen zijn slechts Vpb-plichtig indien en voor zover zij een onderneming drijven. Een onderneming is een organisatie van kapitaal en arbeid die deelneemt aan het economisch verkeer met het oogmerk winst te behalen. De aanwezigheid van een onderneming wordt mede aangenomen, indien door een naar het uiterlijk daarmede overeenkomende werkzaamheid in concurrentie wordt getreden met ondernemingen van natuurlijke personen en belastingplichtige lichamen. Indien een stichting of vereniging met haar activiteiten in concurrentie treedt met personen of lichamen die wel belastingplichtig zijn, kan dit dus leiden tot belastingplicht voor de desbetreffende stichting of vereniging. Deze bepaling beoogt juist te voorkomen dat andere ondernemers een concurrentienadeel ondervinden.

Een lichaam waarvan uitsluitend Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersonen onmiddellijk of middellijk aandeelhouders, deelnemers of leden zijn, is slechts Vpb-plichtig voorzover zij bepaalde in de wet opgesomde activiteiten uitoefent. De exploitatie van een jachthaven valt niet onder deze opsomming. Een dergelijk lichaam zal ter zake van de exploitatie van een jachthaven dus niet belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting.

Of de in de brief genoemde non-profithavens Vpb-plichtig zijn, wordt in het concrete geval beoordeeld door de inspecteur.

 

Inkomstenbelasting

Indien een natuurlijk persoon of een vennoot- c.q. maatschap er zijn/haar bedrijf/beroep van maakt een jachthaven te exploiteren dan zal de eventueel te behalen winst aan de IB zijn onderworpen.

Download PDF