Koerierswerkzaamheden

18 januari 2005 –  CPP2004/1864M

Koerierswerkzaamheden

 

De directeur-generaal van de Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Aan de Belastingdienst zijn vragen gesteld over de fiscale kwalificatie van zogenaamde ‘koerierswerkzaamheden’ met ingang van 1 januari 2004.
In dit besluit komen in punt 1 de fiscale gevolgen voor de inkomstenbelasting en de loonbelasting/premie werknemers-verzekeringen (hierna: loonheffing) aan de orde en in punt 2 de mogelijke gevolgen voor de omzetbelasting (hierna: BTW). Tot slot is in een bijlage een stroomschema met toelichting toegevoegd.

De Voorzitter van de Raad van Bestuur Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft mij meegedeeld dat de punten 1.1, 1.2 en 1.3.2 van dit besluit ook van toepassing zijn voor de premieheffing werknemersverzekeringen.

 

Vraag:

Een opdrachtgever laat bepaalde koerierswerkzaamheden verrichten tegen betaling van alleen een vergoeding per kilometer van € 0,30. Degenen die de koerierswerkzaamheden verrichten gebruiken daarvoor hun eigen auto. Heeft de betaling van € 0,30 per kilometer fiscale gevolgen?

Antwoord:

Als een opdrachtgever mensen met een eigen auto koerierswerkzaamheden laat verrichten tegen betaling van een vergoeding per kilometer van € 0,30, hangt het van de feitelijke situatie af wat de fiscale gevolgen zijn voor de opdrachtgever en/of voor de koerier. Daarbij is onderscheid te maken tussen de gevolgen voor de inkomstenbelasting en de loonheffing en voor de BTW.

 

1. Mogelijke gevolgen voor de inkomstenbelasting/loonheffing

In dit verband zijn achtereenvolgens de volgende hoofdlijnen te onderscheiden.

 

1.1 Er is geen inkomen/loon

Een koerier kan de werkzaamheden verrichten om ‘iets om handen te hebben’ zonder dat hij structureel voordeel heeft. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als hij gepensioneerd is of een uitkering ontvangt. In dat geval rijst de vraag wanneer sprake is van belastbaar inkomen of loon. Dat is in dit verband het geval als redelijkerwijze kan worden verwacht dat, op langere termijn bezien, de opbrengsten de kosten zullen overtreffen. Er is geen sprake van belastbaar loon of inkomen als een vergoeding niet hoger is dan de naar redelijkheid te bepalen kosten. In zo’n geval is er geen sprake van een belastbaar inkomen. De opbrengst van de werkzaamheden is dan onbelast en de opdrachtgever kan de bedragen onbelast uitkeren. Bij deze beoordeling komt geen betekenis toe aan de beperking van belastingvrij te vergoeden kosten, zoals bijvoorbeeld de normering voor de belastingvrije reiskostenvergoeding. Wel moet de opdrachtgever op verzoek van de Belastingdienst opgave doen van dergelijke betalingen via het formulier ‘Opgaaf van uitbetaalde bedragen aan derden’.

Voorbeeld

Iemand, bijvoorbeeld een gepensioneerde of een andere natuurlijke persoon, bezorgt met zijn tweedehandse auto voor een bepaald bedrijf de grotere bestellingen. Maandelijks denkt hij circa 1.000 kilometer af te leggen. Hij heeft becijferd dat zijn werkelijke kosten (inclusief onder andere brandstof, verzekering, onderhoud en werkelijke afschrijving) per kilometer € 0,33 bedragen. Van het bedrijf ontvangt hij per kilometer een compensatie van € 0,30. Per maand ontvangt hij dus 1.000 km x € 0,30 =€ 300. In deze situatie zal de bezorger meer kosten hebben dan opbrengst. De opbrengst vormt dan geen inkomen en is dus niet belast.

Op verzoek van de Belastingdienst moeten de betrokkenen het bedrag van de autokosten in zo’n geval aannemelijk kunnen maken. Overigens behoort het voordeel van een tankpas die de bezorger eventueel gebruikt van of via de opdrachtgever ook tot de opbrengst.

Als de bezorger voor het bedrijf meer zakelijke kilometers aflegt tegen € 0,30 per kilometer, kan er wel sprake zijn van belastbaar inkomen. Dat is bijvoorbeeld het geval als de bezorger met zijn tweedehandse auto maandelijks 3.000 zakelijke kilometers aflegt en zijn werkelijke autokosten – per kilometer € 0,15 bedragen. Zie hiervoor verder punt 1.3. Onder omstandigheden kan de opdrachtgever dan kwalificeren als ‘inhoudingsplichtige’, zodat hij de loonheffing moet inhouden en afdragen.

 

1.2 De vrijwilligersregeling is van toepassing

Een koerier kan de werkzaamheden verrichten als ‘vrijwilliger’ (zie hiervoor nader het Besluit van 12 maart 2004, nr. CPP2003/2042M). Daaronder wordt verstaan: degene die niet bij wijze van beroep arbeid verricht voor doorgaans één privaat- of publiekrechtelijk lichaam dat niet is onderworpen aan de heffing van de vennootschapsbelasting, of één sportvereniging of -stichting die op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 aan de vennootschapsbelasting is onderworpen. Een belangrijk kenmerk van vrijwilligerswerk is dat de eventueel ontvangen vergoeding niet in verhouding staat tot de omvang en het tijdsbeslag van de verrichte werkzaamheden en het karakter heeft van een kostenvergoeding. Aan vrijwilligers verstrekte vergoedingen worden als vrije vergoedingen aangemerkt als deze niet hoger zijn dan maximaal € 735 per jaar én maximaal € 21 per week.

Voorbeeld

Iemand bezorgt op vrijwillige basis warme maaltijden bij oudere mensen. Hij is daar per avond twee uur mee bezig en doet dit drie avonden per week. Voor de kosten die hij maakt ontvangt hij per keer een niet-marktconforme vergoeding van € 6. In het kalenderjaar heeft hij in totaal € 700 ontvangen.

In dit geval hoeft niet getoetst te worden of sprake is van een bron van inkomen. De vergoeding blijft beneden het maximum van de hierboven genoemde bedragen die gelden in het kader van de vrijwilligersregeling. Dit betekent dat de vergoeding voor de vrijwilliger onbelast is.

Als de vergoedingen hoger zijn dan de geldende bedragen kan mogelijk voor de loonbelasting (dus niet voor de premieheffing werknemersverzekeringen) de goedkeuring in het Besluit van 12 maart 2004, nr. CPP2003/2042M, van toepassing zijn (zie: paragraaf 5b van dat besluit). Die goedkeuring geldt overigens niet als de arbeidsverhouding van de vrijwilliger is aan te merken als een fictieve dienstbetrekking. Daarbij is met name de zogenoemde gelijkgesteldenregeling van belang (artikel 2c Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965). Deze regeling bepaalt dat als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van degene, die persoonlijk arbeid verricht op doorgaans ten minste twee dagen in de week tegen een bruto-inkomen dat doorgaans over een week ten minste zal bedragen 2/5 maal het wettelijk minimumloon. In deze situatie dient de vrijwilliger op de normale wijze te worden opgenomen in de loonadministratie. Dat geldt uiteraard ook als de vrijwilliger samen met de opdrachtgever ervoor kiest om de arbeidsverhouding als dienstbetrekking te beschouwen.

 

1.3 Welke bron van inkomen?

Als er sprake is van belastbaar inkomen, en de vrijwilligersregeling niet van toepassing is, komt met het oog op de fiscale gevolgen de vraag aan de orde tot welke bron van inkomen de vergoeding behoort die de koerier ontvangt. Op basis van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) geldt hiervoor de volgende systematiek:

–  eerst moet beoordeeld worden of er sprake is van belastbare winst uit onderneming;

–  als dat niet het geval is, moet beoordeeld worden of er sprake is van belastbaar loon;

–  als dat niet het geval is, is sprake van een belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden.

Op deze drie aspecten wordt hieronder achtereenvolgens nader ingegaan.

1.3.1 Winst uit onderneming

Er is sprake van winst uit onderneming als een koerier de werkzaamheden verricht in de hoedanigheid van ondernemer voor de inkomstenbelasting. Dat is het geval (zie artikel 3.4 van de Wet IB 2001) als sprake is van:

–  een organisatie van arbeid en kapitaal; en

–  waarbij voor eigen rekening en risico wordt gehandeld.

De opbrengst wordt dan belast als winst uit onderneming. Dit brengt mee dat de zakelijke kosten die de koerier maakt, aftrekbaar zijn overeenkomstig de bepalingen in de Wet IB 2001.

Voor de auto die de koerier bezit (of huurt), geldt in beginsel een keuzemogelijkheid. De koerier kan de auto tot het privé-vermogen rekenen, maar ook tot het ondernemingsvermogen. Als de koerier de auto 500 kilometer of minder voor privé-doeleinden gebruikt, is er geen keuzemogelijkheid. De auto behoort dan verplicht tot het ondernemingsvermogen.

Als een auto tot het ondernemingsvermogen behoort, zijn de werkelijke kosten aftrekbaar. In het geval de auto ook voor privé-doeleinden ter beschikking staat, geldt voor de koerier het autokostenforfait.
Als een auto tot het privé-vermogen behoort (of in privé is gehuurd) zijn de zakelijke kosten aftrekbaar tot maximaal € 0,18 per kilometer (artikel 3.17, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001).

Voorbeeld

Iemand werkt als koerier voor drie opdrachtgevers en kwalificeert als ondernemer. Hij heeft een personenauto aangeschaft met een catalogusprijs (inclusief BTW) van € 19.000. In het kalenderjaar heeft hij in totaal 33.000 kilometer afgelegd, waarvan 25.000 zakelijke kilometers en 8.000 km voor privé-doeleinden. De totale kosten bedragen € 10.000 waarvan € 8.250 autokosten (€ 0,25 per kilometer). In totaal heeft hij van zijn opdrachtgevers € 15.000 ontvangen.

Als hij de auto tot het ondernemingsvermogen rekent zijn de fiscale gevolgen als volgt:

De opbrengst van € 15.000 minus de kosten van € 10.000 is belast als winst uit onderneming. In verband met het privé-gebruik van de auto geldt het autokostenforfait. Dit betekent dat de ondernemer een onttrekking in aanmerking moet nemen van 22% x € 19.000 (de catalogusprijs) =€ 4.180.

De winst bedraagt uiteindelijk € 15.000 –€ 10.000 +€ 4.180 =€ 9.180.
De autokostenfictie kan niet hoger zijn dan de werkelijke autokosten, maar dat speelt in dit voorbeeld geen rol.

Als hij de auto tot het privé-vermogen rekent zijn de fiscale gevolgen als volgt:

De opbrengst is € 15.000 minus de overige kosten van € 1.750 (€ 10.000 –€ 8.250).
Op grond van artikel 3.17 van de Wet IB 2001 mag hij voor de autokosten maximaal € 0,18 voor de auto als kosten ten laste van de winst brengen. Zijn winst is dan: € 15.000 –€ 1.750 –€ 4.500 (25.000 km x € 0,18) =€ 8.750. Omdat in dit geval sprake is van een auto die tot het privé-vermogen behoort, is het autokostenforfait niet van toepassing.

1.3.2 Loon

Als de koerier kwalificeert als werknemer, vormt de kilometervergoeding loon uit dienstbetrekking. De opdrachtgever geldt dan als ‘inhoudingsplichtige’ en moet de loonheffing inhouden en afdragen. De kilometervergoeding vormt in principe belastbaar loon. Tot een bedrag van maximaal € 0,18 per kilometer kan de opdrachtgever de vergoeding aanmerken als een vrije vergoeding voor reiskosten. Het bedrag van € 0,18 per kilometer geldt overigens voor vergoedingen en verstrekkingen tezamen.

De beoordeling of sprake is van een dienstbetrekking vindt plaats aan de hand van de criteria zoals die zijn ontwikkeld in de jurisprudentie en neergelegd zijn in de Beleidsregels beoordeling dienstbetrekking (Besluit van 15 juli 2003, nr. CPP2003/3756M).

Voorbeeld

Iemand is in dienst van een apotheek en bezorgt met zijn eigen auto iedere avond na werktijd de medicijnen bij de patiënten. Maandelijks legt hij daarvoor 2.000 kilometer af, waarvoor hij van zijn werkgever een compensatie voor reiskosten ontvangt van € 0,20 per kilometer. Deze compensatie is in beginsel vrijgesteld tot maximaal € 0,18 per kilometer. Daarom moet zijn werkgever per maand op het belaste deel van € 0,02 x 2.000 =€ 40 loonheffing inhouden en afdragen.

Als de werkgever een kostendekkende vergoeding verstrekt ligt dit echter anders. Aan het eind van het jaar heeft de werknemer voor zijn reiskosten in totaal € 4.800 ontvangen. Stel dat zijn werkelijke autokosten dat jaar € 4.500 hebben bedragen. In zo’n geval is de conclusie dat de werknemer een kostendekkende vergoeding voor de auto heeft ontvangen die voor het volledige bedrag van € 4.800 niet tot het loon behoort voor de loonheffing (artikel 11a van de Wet op de loonbelasting 1964). Wel moet de werknemer voor de inkomstenbelasting dan rekening houden met het autokostenforfait (zie ook punt 11 van het Besluit van 5 juli 2004, nr. CPP2004/1409M).

1.3.3 Resultaat uit overige werkzaamheden

Als de koerier geen ondernemer is en ook niet als werknemer is aan te merken, kwalificeert hij als ‘resultaatgenieter’. De opbrengsten behoren dan tot het ‘belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden’. Het resultaat wordt bepaald op basis van artikel 3.95 van de Wet IB 2001.

Voor de auto die de koerier bezit (of huurt), geldt wat hierboven is vermeld bij winst uit onderneming op overeenkomstige wijze.

Voorbeeld

Zie het voorbeeld onder 1.3.1.

 

2. Mogelijke gevolgen voor de BTW

Aan koerierswerkzaamheden kunnen BTW-gevolgen verbonden zijn. De verplichtingen ingevolge de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) gelden slechts voor ondernemers. Het begrip ondernemer voor de BTW wijkt echter af van het begrip ondernemer voor de inkomstenbelasting.

Voor de BTW wordt onder ondernemer verstaan:

Ieder die een bedrijf of beroep zelfstandig uitoefent. Dat wil zeggen dat economische activiteiten plaatsvinden, anders dan incidenteel en niet in een verhouding van ondergeschiktheid, waarbij het oogmerk of het resultaat van die activiteiten voor de BTW geen rol speelt. De exploitatie van een vermogensbestanddeel valt hier ook onder.

Als de koerier voor de BTW geen ondernemer is, is de BTW-wetgeving niet op hem van toepassing. Een resultaatgenieter voor de inkomstenbelasting kwalificeert in de regel voor de BTW niet als ondernemer. Bij twijfel kan een resultaatgenieter de bevoegde inspecteur desgewenst om een standpunt vragen.

Als de koerier in dienstbetrekking werkzaam is of als resultaatgenieter (niet-ondernemer) kwalificeert, en van zijn werkgever/opdrachtgever een reiskostenvergoeding ontvangt, is voor de werkgever/opdrachtgever de daarin begrepen BTW niet aftrekbaar.

Als een koerier voor de BTW als ondernemer kwalificeert, moet hij de opdrachtgever BTW in rekening brengen over de in totaal te ontvangen vergoeding. De koerier heeft recht op aftrek van voorbelasting. In dat verband heeft hij de keuzemogelijkheid om een auto geheel tot het privé-vermogen te rekenen of geheel tot het bedrijfsvermogen. Zie het Besluit van 22 januari 2004, nr. CPP2003/2803M. Deze keuzemogelijkheid staat los van de keuze die is gemaakt voor de inkomstenbelasting. Voor het eventuele privé-gebruik van de auto moet de koerier een correctie aanbrengen op de aftrek van de voorbelasting krachtens artikel 15 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Zie daarvoor het Besluit van 22 januari 2004, nr. CPP2003/2802M. De opdrachtgever kan de in rekening gebrachte BTW aftrekken als voorbelasting.

Voorbeeld

Iemand brengt zo nu en dan voor één groothandel pakketjes naar klanten. In zo’n geval is de bezorger voor de BTW geen ondernemer, indien de vereiste zelfstandigheid ontbreekt. Het feit dat al dan niet sprake is van een dienstbetrekking is hierbij niet van belang. De bezorger hoeft geen BTW in rekening te brengen en de voorbelasting is niet aftrekbaar. De opdrachtgever kan geen voorbelasting aftrekken ter zake van de vergoeding die aan de bezorger is uitbetaald.

 

3. Stroomschema

De bovenstaande – mogelijke – gevolgen voor de inkomstenbelasting, loonheffing en BTW zijn in een stroomschema systematisch weergegeven. Het stroomschema en de daarbij behorende toelichting vormen niet meer dan een hulpmiddel om de mogelijke fiscale gevolgen weer te geven. De uiteindelijke fiscale gevolgen zijn steeds afhankelijk van de beoordeling van de concrete feiten en omstandigheden van een specifieke situatie op basis van de toepasselijke wet- en regelgeving.

Zie voor het stroomschema de bijlage.

 

Bijlage

Loon- en inkomstenbelasting:

Deelname economisch verkeer

nee –> Geen inkomen

v  ja

Voordeel te verwachten

nee –> Geen inkomen

v  ja

Vrijwilligersregeling van toepassing

ja –> Geen inkomenc.q. onbelast loon

v  nee

Winst uit onderneming

ja –> Winstbepalingen

v  nee

v

Loon

ja –>

v

v  nee

Dienst-

v

Resultaat

betrekking

v

v

v

Opting in

ja –>

v

v  nee

v

Resultaatgenieter

v

v

v

Aangifteverplichting (artikel 6 AWR jo 2 UR AWR)

v

Privé-gebruik ≤ 500km

               v  ja

v  nee

               v Keuze voor privé-vermogen  ja –> Belast: winst c.q. resultaat -/- ten hoogste € 0,18 per zakelijke km (incl. woon-werk-verkeer)
               v

v  nee

Auto is ondernemings- c.q. resultaatvermogen

v

–     Winst c.q. resultaat is opbrengst minus werkelijke kosten
–     Privé-gebruik auto leidt tot bijtelling ex art 3.20 IB 2001
–     Kosten aannemelijk maken
Omzetbelasting:

BTW-ondernemer

Let op:

Het begrip ondernemer voor de BTW wijkt af van dat voor de winstbepalingen

nee –>

  • ontvangen vergoeding is niet belast
  • bij werkgever/ opdrachtgever geen aftrekmogelijkheid t.z.v. reiskostenvergoedingen

v  ja

  • ontvangen vergoeding is belast
  • voorbelasting is onder voorwaarden aftrekbaar
  • eventueel kleine ondernemersregeling toepasbaar
  • keuzevermogen mogelijk t.a.v. bedrijfsmiddelen

 

Bron van inkomen?

Van inkomen kan pas sprake zijn als aan alledrie de volgende voorwaarden is voldaan.
Deelname aan het economische verkeer.
Voordeel is redelijkerwijs te verwachten.

Voorbeelden:

Hof Arnhem 3 december 1998, nr. 96/1722, VN1999/19.11
Een trainer/coach maakt aannemelijk dat zijn werkelijk gemaakte kosten hoger zijn geweest dan de vergoeding. Hij ontvangt een vergoeding van€ 12.479 en maakt kosten voor € 17.589. Dit laatste bedrag bestaat voor € 16.336 uit reiskosten, te weten 48.000 autokilometers van € 0,32 (werkelijke kosten). Er is geen bron van inkomen. Dat deze autokilometers op € 0,18 per kilometer (€ 0,28) volgens de toenmalige wet) zouden moeten worden gesteld, is voor de bronvraag niet relevant.

CRvB 20 maart 1995, Premie 1993/414, RSV1995/235
Zolang de opbrengsten de reële noodzakelijke kosten (waaronder reiskosten) niet overtreffen kan van verzekering en dus ook van premieheffing geen sprake zijn. Iemand verricht werkzaamheden tegen uitsluitend een onkostenvergoeding, gerelateerd aan de door hem gereden zakelijke kilometers op basis van de ANWB normen voor het type auto waarin hij rijdt. Doordat de opbrengsten de kosten niet overtreffen mag premieheffing achterwege blijven.

HR 18 april 1990, BNB 1990/195*
Koeriers ontvangen slechts een kostenvergoeding voor met de eigen auto gereden kilometers. Deze bedragen hebben niet het karakter van loon. Er is geen bron van inkomen.

 

1. De vrijwilligersregeling is niet van toepassing.

Een vrijwilliger is degene die niet bij wijze van beroep arbeid verricht voor doorgaans één privaat- of publiekrechtelijk lichaam dat niet is onderworpen aan de heffing van vennootschapsbelasting, of één sportvereniging/stichting die aan de vennootschapsbelasting is onderworpen. Van beroepsmatige werkzaamheden is sprake als iemand een beloning ontvangt die in overeenstemming is met het werk en de daaraan bestede tijd. De vrijwilligersregeling is dan niet van toepassing. De beoordeling dient plaats te vinden met inachtneming van de individuele omstandigheden.

Voorbeeld:
Brief Financiën 27 augustus 1998, nr. DB98/521, VN 1998/42.22
Als de beloning niet in relatie staat tot de omvang en het tijdsbeslag voor de verrichte werkzaamheden kan de vrijwilligersregeling van toepassing zijn. Er is dan geen sprake van een bron van inkomen.

 

Welke bron?

1. Winst uit onderneming
De belangrijkste criteria voor het ondernemerschap voor de inkomsten-belasting zijn:

organisatie van kapitaal en arbeid;
waarbij voor eigen rekening en risico wordt gehandeld;
waarbij wordt voldaan aan het urencriterium.

Voor nadere informatie over de vraag wanneer u ondernemer bent u voor de inkomstenbelasting zie: www.belastingdienst.nl onder ‘zakelijk’, ‘ondernemen’, ‘ondernemer worden’, ‘ondernemer voor de inkomsten-belasting’.

Voorbeeld:
HR 14 oktober 1992, BNB 1993/6

In deze procedure vervoerde de ‘eigen rijder’ met een vrachtauto uitsluitend dan wel nagenoeg uitsluitend goederen ten behoeve van een enkele transportonderneming. De Hoge Raad oordeelde dat met de aankoop van een vrachtauto van € 74.874 een aanzienlijke investering is gedaan. De exploitatie geschiedde geheel voor rekening en risico van belanghebbende. Er was aan het einde van het jaar ook een debiteurensaldo. De feiten lieten volgens de Hoge Raad geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende in dat jaar een onderneming dreef.

 

2. Dienstbetrekking

Volgens de wet en vaste jurisprudentie zijn de volgende criteria (cumulatief) van belang bij de bepaling of sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking

de opdrachtnemer is verplicht de arbeid persoonlijk te verrichten;
de opdrachtgever is verplicht tot betaling van loon;
de opdrachtnemer staat in een gezagsverhouding tot de opdrachtgever.

Of sprake is van een dienstbetrekking is afhankelijk van feiten en omstandigheden. Zowel de werknemersverzekeringen als de Wet op de loonbelasting 1964 verwijzen naar de privaatrechtelijke dienstbetrekking. Voorts is er veel – vaak feitelijke – jurisprudentie op dit gebied.

Voorbeelden:
Hof Arnhem (mondeling) 26 februari 1991, nr. 1732/1990, Infobulletin 91/217
Een bloemenbezorgster ontvangt een vergoeding per bestelling. Daarbij krijgt zij aanwijzingen en instructies teneinde correcte uitvoering aan de bestellingen te kunnen geven. Er is sprake van een dienstbetrekking. Dat zij daarbij zelf haar route kan bepalen en haar eigen auto gebruikt doet daaraan niet af.
Rechtbank Arnhem 15 december 1992, Beloning en Belasting 25 maart 1993, blz. 13.

Een postdienst heeft oproepkrachten die bezorgen tegen een stuktarief. De postdienst houdt geen toezicht en geeft geen instructies. De bezorgers zijn vrij in het accepteren van opdrachten en de uitvoering ervan. Niet bezorgde stukken kunnen de bezorgers teruggeven. Een gezagsverhouding ontbreekt en daardoor eveneens een dienstbetrekking.

RvB 6 april 1994, nr. ZW-R 1993/25, RSV1994/258
Een bezorger verspreidt en verwisselt leesmappen op door de opdrachtgever voorgeschreven dagen. De bezorger dient zich daarbij te houden aan een door de opdrachtgever gewenste route. De werkzaamheden zijn structureel ingekaderd in de bedrijfsvoering van de opdrachtgever. De bezorger is in dienstbetrekking.

 

3. Resultaat overige werkzaamheden

Als de koerier geen ondernemer is en ook niet als werknemer is aan te merken, kwalificeert hij als ‘resultaatgenieter’. De opbrengsten behoren dan tot het ‘belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden’. Het resultaat wordt bepaald op basis van artikel 3.95 van de Wet IB 2001.

 

BTW

Voor de BTW is iemand ondernemer als een bedrijf zelfstandig wordt uitgeoefend (artikel 7 Wet op de omzetbelasting 1968). Een koerier die voor één opdrachtgever werkt is in het algemeen geen ondernemer voor de BTW.

Voor nadere informatie over de vraag wanneer u ondernemer bent u voor de omzetbelasting zie: www.belastingdienst.nl onder ‘zakelijk’, ‘ondernemen’, ‘ondernemer worden’, ‘ondernemer voor de BTW’.

TC 11 augustus 951, nr. 5865 O, B. nr. 9368
De bezorger van een dagblad is onder de gegeven omstandigheden geen ondernemer, aangezien hij de daartoe vereiste zelfstandigheid mist, maar moet veeleer als orgaan van het uitgeversbedrijf worden aangemerkt; het al dan niet bestaan van een arbeidsovereenkomst is daarbij van geen betekenis.

TC 21 januari 1969, nr. 10 256 O, BNB 1969/120
Een kapper treedt op als agent-bezorger van twee dagbladen; zijn echtgenote helpt bij de bezorging. In de gegeven omstandigheden vertoont zijn handelen te weinig zelfstandigheid om het bestaan van een onderneming aan te nemen, waarbij niet van belang is of een arbeidsovereenkomst of een onbenoemde overeenkomst aanwezig is.

Download PDF