Maatregelen in verband met wateroverlast

5 oktober 1998 – AFZ98/3396

Maatregelen in verband met wateroverlast

De plaatsvervangend Directeur-Generaal der Belastingen heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

1. Algemeen

In verband met de recente wateroverlast in het westen van Nederland en in delen van Brabant en Limburg zijn in het kader van de aangifteplicht en van de invordering ten behoeve van door de water-overlast getroffen ondernemers de hierna vermelde maatregelen getroffen.

Deze maatregelen beperken zich niet uitsluitend tot ondernemers die daadwerkelijk – binnen het eigen bedrijf – met waterschade zijn geconfronteerd, maar zijn gedeeltelijk mede van toepassing op ondernemers van wie de bedrijfsresultaten in verband met de wateroverlast aantoonbaar nadelig zijn beïnvloed. Aangezien de financiële gevolgen van de wateroverlast per bedrijf zullen verschillen, dienen verzoeken om uitstel van betaling waarin een beroep wordt gedaan op de hierna genoemde maatregelen op individuele basis te worden beoordeeld. Ter voorkoming van concurrentievervalsing is het uitdrukkelijk niet de bedoeling dat bedrijven waarvan de continuïteit ook zonder de gevolgen van de wateroverlast al onder zware druk verkeert, een beroep kunnen doen op de voorziene maatregelen met betrekking tot uitstel van betaling.

Met het voorgaande wordt overigens niet uitgesloten dat ook particulieren die zijn getroffen door de gevolgen van de wateroverlast en in verband daarmee betalingsmoeilijkheden ondervinden op een tegemoetkomende houding van de Belastingdienst mogen rekenen. In situaties waarin daarvan sprake is, zal de ontvanger een passende betalingsregeling treffen waarbij zo nodig ten gunste van de belastingplichtige afgeweken wordt van het algemeen geldende uitstelbeleid.

2. Aangifteplicht voor de loon- en omzetbelasting

Aan ondernemers en inhoudingsplichtigen van wie het bedrijf rechtstreeks is getroffen door de wateroverlast en die in verband daarmee niet in staat zijn om te voldoen aan hun aangifteplicht voor de loon- en/of omzetbelasting over de maand augustus 1998, wordt op verzoek uitstel voor het indienen van de aangifte voor de genoemde middelen en de genoemde periode verleend, tot uiterlijk 31 oktober 1998. Indien het verzoek om uitstel eerst wordt gedaan nadat de naheffingsaanslagen zijn opgelegd, vernietigt de inspecteur de betreffende aanslagen en wordt alsnog uitstel verleend tot de genoemde datum.

3. Uitstel van betaling

In de gevallen waarin een ondernemer aannemelijk maakt dat zijn bedrijf direct of indirect door de wateroverlast is getroffen en hij dientengevolge betalingsproblemen heeft met betrekking tot belastingaanslagen, wordt als volgt afgeweken van het bepaalde in artikel 25 van de Leidraad Invordering 1990 (hierna L.I.).

a. Uitstel van betaling in verband met een te verwachten teruggaaf kan ook worden verleend in het geval de bedoelde teruggaaf wordt verwacht uit hoofde van een vermindering van een aanslag wegens achterwaartse verliescompensatie in verband met een verlies over het belastingjaar 1998, en behoeft het belastingjaar derhalve niet afgelopen te zijn (art. 25, § 3, eerste lid, L.I.).

b. Een belastingschuldige behoeft voor de oplossing van zijn betalingsproblemen geen onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden tot het afsluiten van een lening bij een bank of andere krediet verlenende instelling (art. 25, § 8, eerste lid, L.I.).

c. Bij het verlenen van uitstel van betaling wordt geen onderscheid gemaakt tussen zakelijke en persoonlijke schulden (art. 25, § 9, eerste lid en § 14, eerste lid, L.I.).

d. Het verzoek om uitstel van betaling wordt niet afgewezen op grond van de aanwezigheid van vermogen ten tijde van het verzoek (art. 25, § 11, tweede lid, L.I.).

e. Mits het verzoek van de belastingschuldige ertoe strekt dat de betaling van de belastingschuld plaats vindt binnen een periode van twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop blijkens de beschikking de ontvanger de betalingsregeling toestaat, kan de berekening van de betalingscapaciteit achterwege blijven (art. 25, § 11, vierde lid en § 13, eerste lid, L.I.).

f. Bij het vaststellen van een betalingsregeling wordt rekening gehouden met betalingsverplichtingen aan derden, mits deze verplichtingen rechtstreeks voortvloeien uit schuldverhoudingen welke zijn ontstaan ten gevolge van de wateroverlast (art. 25, § 13, zevende lid en § 14, achtste lid, L.I.).

De ontvanger kan aan het verlenen van uitstel van betaling nadere voorwaarden verbinden indien hij vermoedt dat het ongeclausuleerd toestaan daarvan in de toekomst zal leiden tot invorderingsmoeilijkheden. Voor het in rekening brengen van invorderingsrente, geldt overigens geen van de L.I. afwijkend beleid.

4. Relevante IB- en Vpb-aspecten

1. Voorlopige aanslagen IB/voorlopige teruggaaf bij carry-back

Verzoeken om vernietiging of vermindering van voorlopige aanslagen IB of Vpb worden met spoed afgedaan met begrip voor de redenen die aan het verzoek ten grondslag liggen.

Daarnaast bestaat de mogelijkheid om zo spoedig mogelijk een voorlopige teruggaaf te doen, voorafgaand aan een carry-backbeschikking, (tot 80% van het vermoedelijke verlies) conform art. 52, lid 3, IB en art. 21, lid 3, Vpb.

2. Uitkeringen Uitkeringen die zijn gerelateerd aan de geleden bedrijfsschade en die om die reden worden gedaan aan een ondernemer, zijn belast. Voor zover vergoedingen zijn of zullen worden gedaan ter zake van een verloren gegaan of beschadigd bedrijfsmiddel en het voornemen bestaat om dat bedrijfsmiddel te vervangen of te herstellen, kan de vergoeding (voor zover de boekwaarde overtreffend) onder de gebruikelijke voorwaarden in een vervangingsreserve worden ondergebracht.

3. Afwaardering bedrijfsmiddelen

Indien een bedrijfsmiddel door een abnormale gebeurtenis een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan van zodanige omvang dat de herstel-uitgaven als een kapitaalsuitgave dienen te worden geactiveerd, kan extra afschrijving plaatsvinden. Zie HR 3 maart 1954, BNB 1954/124. Bij bedrijfsmiddelen kan o.a. gedacht worden aan: gebouwen, machines, inventaris, levende have, plantopstand en transportmiddelen. Deze afwaardering kan plaatsvinden indien zich op balansdatum (overigens is dit veelal 31 december) feiten en omstandigheden voordoen die tot een extra afwaardering aanleiding geven (voor zover die feiten en omstandigheden bij het opmaken van de jaarstukken bekend zijn). Het is uiteraard ook mogelijk dat het bedrijfsmiddel geheel verloren is gegaan zodat de bestaande boekwaarde afgeboekt kan worden tot nihil.

4. Afwaardering voorraden

Courante voorraden worden normaliter gewaardeerd op de kostprijs dan wel op de kostprijs of langere (inkoop)marktwaarde. Het laat zich denken dat ten gevolge van de wateroverlast voorraden in prijs zijn gedaald dan wel incourant zijn geworden. In dat geval kunnen de desbetreffende voorraden worden afgewaardeerd waarbij bijvoorbeeld een systeem wordt gehanteerd dat uitgaat van een veronderstelde verkoopprijs verminderd met de gebruikelijke winstmarge (zie HR 10 juni 1959, BNB 1959/262). Voorraad kunnen o.a. zijn: vee, veldinventaris en handelsgoederen. Ook hier dient waardering te geschieden naar de situatie op balansdatum (ook veelal 31 december) Indien voorraden geheel verloren zijn gegaan, kan (uiteraard) afgeboekt worden tot nihil.

5. Extra bedrijfskosten

Ten gevolge van de (dreiging van) overstromingen kunnen mogelijkerwijs de volgende extra kosten zich hebben voorgedaan: huisvestingskosten, onderhoudskosten, schoonmaakkosten en adviseurskosten.

6. Investeringsaftrek en -bijtelling

Bij nieuwe (vervangende) investeringen in bedrijfsmiddelen is (onder de gebruikelijke voorwaarden) investeringsaftrek mogelijk. Indien bedrijfsmiddelen waarvoor destijds investeringsaftrek is gevraagd en verkregen, binnen de desinvesteringstermijn (5 jaar vanaf het begin van het investeringsjaar) teloor zijn gegaan, vindt geen desinvesteringsbijtelling plaats.

Download PDF