Notitie terbeschikkingstelling van personeel in de sociaal-culturele sector

17 december 1990 – VB90/1756

Notitie terbeschikkingstelling van personeel in de sociaal-culturele sector

DIRECTORAAT-GENERAAL DER BELASTINGEN

DIRECTIE VERBRUIKSBELASTINGEN AFDELING OMZETBELASTING

Tijdens het mondelinge overleg dat wij op 21 februari j.l. hebben gevoerd met uw commissie, de Vaste commissie voor welzijn en cultuur en de Vaste commissie voor binnenlandse zaken (Tweede Kamer, vergaderjaar 1989-1990, 21.300 IX B, nr. 33) is toegezegd een notitie uit te brengen inzake de BTW-heffing met betrekking tot:

a. het ter beschikking stellen van personeel in de sociaal-culturele sector,

b. de banenpools en de Jeugdwerkgarantiewet en

c. de zgn. budgetfinanciering/-subsidies.

Wij hebben de eer u hierbij de toegezegde notitie aan te bieden. Met betrekking tot de inhoud van de notitie willen wij graag nog enkele aspecten nader toelichten en de voornemens ter zake kenbaar maken.

1. Algemeen.

De notitie is in concept aan het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Vereniging van Ondernemers in de Gepremieerde en gesubsidieerde sector (VOG) voorgelegd met de vraag of zij ter zake nog nader bestuurlijk overleg zouden willen voeren. In hun antwoord hebben het IPO, de VNG en de VOG medegedeeld dat zij geen behoefte hadden aan nader bestuurlijk overleg inzake de inhoud van de notitie. De in de notitie neergelegde aanbevelingen inzake het ter beschikking stellen van personeel in de sociaal-culturele sector vormen naar het oordeel van het IPO, de VNG en de VOG, een goede basis om de problematiek inzake het ter beschikking stellen van personeel in de sociaal-culturele sector op een voor alle betrokkenen bevredigende wijze op te lossen.

In verband met het feit dat zich in de gezondheidssector problemen voordoen welke vergelijkbaar zijn met die in de sociaal-culturele sector, wordt in de notitie ook aandacht besteed aan de problematiek in de gezondheidssector. Ter zake is overleg gevoerd met de Nationale Ziekenhuisraad (NZR). Voorts zijn besprekingen gevoerd met de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU).

2. Ter beschikking stellen van personeel in de sociaal-culturele sector.

Door een werkgroep met vertegenwoordigers van het IPO, de VNG, het VOG en het Ministerie van Financiën is onderzocht in hoeverre de feiten het handhaven van de vrijstelling voor bepaalde vormen van uitlenen van personeel rechtvaardigen. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in hoofdstuk 3 van bijgaande notitie. Daarin doet de werkgroep enkele aanbevelingen. Deze aanbevelingen komen, kort samengevat, er op neer dat de BTW-heffing achterwege zou kunnen blijven mits de terbeschikkingstelling structureel van karakter is. Wel dient naar het oordeel van de werkgroep BTW-heffing plaats te vinden in de gevallen waarin de terbeschikkingstelling voor relatief korte perioden plaatsvindt. Een en ander ter voorkoming van verstoring van de concurrentieverhouding met commerciële uitzendbureaus. In dit verband dient vermelding het feit dat de ABU desgevraagd te kennen heeft gegeven dat niet op voorhand kan worden gesteld dat een maatregel in de door de werkgroep bedoelde zin tot concurrentieverstoring zal leiden.

Met het IPO, de VNG en de VOG zijn wij van mening dat de aanbevelingen van de werkgroep een goede basis bieden voor een oplossing voor de door onder meer de leden van uw commissie gesignaleerde problematiek. Besloten is dan ook de aanbevelingen van de werkgroep over te nemen en op basis van die aanbevelingen nadere richtlijnen aan de belastingdienst te verstrekken. Zodra deze richtlijnen tot stand zijn gekomen, zal de eerste ondergetekende uw commissie ter zake nader informeren.

Bedoelde richtlijnen zullen er toe leiden dat BTW-heffing terzake van het ter beschikking stellen van personeel in de sociaal-culturele sector in veel gevallen achterwege zal kunnen blijven. Indien er overigens in de toekomst klachten zouden komen dat de aan de belastingdienst te verstrekken richtlijnen tot een ongewenste verstoring van de concurrentieverhouding met de commerciële uitzendbureaus leiden, zal worden bezien of en zo ja, in welke zin die richtlijnen in heroverweging dienen te worden genomen. In dit verband merken wij nog op dat aan de vrijstelling van artikel 11, lid 1, letter f, van de wet op de omzetbelasting 1968, welke alleen geldt voor ondernemers die geen winst beogen, uitdrukkelijk de voorwaarde is verbonden dat deze niet mag leiden tot verstoring van concurrentieverhoudingen met ondernemers die wel winst beogen.

3. Banenpools en Jeugdwerkgarantiewet.

Besloten is van BTW-heffing vrij te stellen de activiteiten welke worden verricht in het kader van de uitvoering van de banenpools als welke zijn bedoeld in artikel 1, lid 1, onderdeel d, van de Rijksbijdrageregeling banenpools (Stcrt. 1990, 169) en de nog in behandeling zijnde Jeugdwerkgarantiewet door de instellingen die met de uitvoering van die regelingen zijn belast. De daarvoor noodzakelijke aanpassing van de lijst van aangewezen instellingen is reeds in voorbereiding genomen.

4. Budgetfinanciering/-subsidiëring.

Met betrekking tot het verstrekken van budgetsubsidies en de eventuele BTW-heffing ter zake is in de (concept)bestuursakkoorden met IPO en VNG een afspraak gemaakt. Deze afspraak houdt in dat de hiervoor onder 2. bedoelde werkgroep de BTW-heffing bij budgetsubsidies zal bezien. Dit in relatie met het interdepartementale overleg dat thans plaatsvindt naar aanleiding van het met onder meer uw commissie op 21 februari j.l. gevoerde overleg. Een werkgroep, waarin wordt geparticipeerd door het IPO, de VNG en de VOG en de departementen van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC), Binnenlandse Zaken (BiZa) en Financiën, werkt thans aan een aanvullende notitie ter zake. Daarbij vindt in eerste aanleg een onderzoek plaats naar de feiten. Aan de hand van de uitkomsten van dat onderzoek worden de feiten geanalyseerd en worden vervolgens aanbevelingen voor oplossingsmogelijkheden geformuleerd. De resultaten van het in opdracht van wvc door Prof. Dr. B.J.M. Terra verrichte onderzoek zullen hierbij in de beschouwing worden betrokken. Gelet op de complexiteit van de materie zal de aanvullende notitie inzake budgetsubsidiëring en de eventuele BTW-heffing ter zake niet op korte termijn het licht kunnen zien. Wij streven er overigens naar om in samenwerking met al degenen die verdere bij de totstandkoming van de notitie zijn betrokken – IPO, VNG, VOG – die notitie zo spoedig mogelijk aan u te zenden teneinde de bij de betrokkenen bestaande onzekerheid weg te nemen.

Op deze plaats merken wij wel al op dat, gelijk als in hoofdstuk VI van de notitie is aangegeven, de hiervoor onder 2. en 3. neergelegde beleidsvoornemens thans reeds een oplossing bieden voor een aantal gevallen waarin subsidies worden verleend. Zo zal in zijn algemeenheid gesproken BTW-heffing achterwege kunnen blijven ten aanzien van de subsidies, welke sociaal-culturele instellingen van onder meer gemeenten ontvangen ten behoeve van de te maken loonkosten van de bij anderen in dienst zijnde werknemers. Evenmin zal BTW-heffing plaatsvinden met betrekking tot de subsidies welke worden verstrekt in het kader van de uitvoering van de hiervoor genoemde banenpools en de Jeugdwerkgarantiewet. Voorts wijzen wij er in dit verband nog op dat het verstrekken van (budget)subsidies aan instellingen en dergelijke, die prestaties verrichten die op grond van artikel 11 van de Wet op de omzetbelasting 1968 zijn vrijgesteld van BTW-heffing, niet door BTW-heffing behoeft te worden getroffen. Indien de subsidieverstrekking aan deze instellingen zodanig vorm wordt gegeven dat deze als een vergoeding voor de vrijgestelde handelingen kan worden aangemerkt, blijft BTW-heffing ter zake achterwege. De hier bedoelde wijze van vormgeving van de subsidieverstrekking biedt voor een aanzienlijk deel van de instellingen in met name de sociale sector een mogelijkheid om BTW-heffing te voorkomen.

5. Ter beschikking stellen van personeel in de gezondheidssector.

Tijdens de gedachtenwisseling met uw commissie op 21 februari j.l. is niet expliciet gesproken over de terbeschikkingstelling van personeel in de gezondheidssector. Gelet echter op de signalen die ons bereikten van de zijde van de NZR is besloten in de notitie ook aandacht te schenken aan de BTW-heffing ten aanzien van het ter beschikking stellen van personeel in de gezondheidssector. In de notitie wordt aangegeven dat van heffing zou kunnen worden afgezien in de gevallen waarin de terbeschikkingstelling structureel van karakter is. Deze oplossing ligt in de lijn van die welke is gekozen om in de sociaal-culturele sector tot een oplossing te geraken. Evenals met betrekking tot de terbeschikkingstelling van personeel in de sociaal-culturele sector heeft de ABU aangegeven dat niet op voorhand kan worden gesteld dat het achterwege laten van BTW-heffing ten aanzien van de structurele terbeschikkingstelling van personeel in de gezondheidssector tot concurrentieverstoring zal leiden.

De eerste ondergetekende heeft het voornemen om in overleg met de NZR de hiervoor aangegeven oplossingsrichting verder uit te werken. Vervolgens zullen ter zake nadere richtlijnen aan de belastingdienst worden verstrekt. Uw commissie zal omtrent die richtlijnen nader worden geïnformeerd.

6. Terbeschikkingstelling van personeel in de gezondheidssector door commerciële uitzendbureaus.

De hiervoor bedoelde problematiek betreft het verrichten van prestaties door instellingen, werkzaam in de sociaal-culturele sector en de gezondheidssector, welke zich in beginsel kunnen beroepen op de vrijstelling van artikel 11, lid 1, letters c en f, van de Wet op de omzetbelasting 1968. De problematiek met betrekking tot het ter beschikking stellen van personeel is, zoals bekend, ontstaan door de wijziging van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 per 1 juli 1989, waarbij het ter beschikking stellen van personeel niet langer in de vrijstelling kon delen. Bij het overleg over mogelijke oplossingen voor de problemen, welke voor de gezondheidssector en de sociaal-culturele sector als gevolg van die wijziging zijn ontstaan, is van de zijde van de ABU medegedeeld dat zij graag zou zien dat wordt afgezien van BTW-heffing over de brutoloonsom die commerciële uitzendbureaus aan hun cliënten in rekening brengen. Deze wens wordt door de NZR ondersteund.

De BTW-heffing ten aanzien van het ter beschikking van medisch geschoold personeel, zoals verpleegsters, door commerciële uitzendbureaus is geen gevolg van de wijziging van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 per 1 juli 1989. Ook voor die datum was deze vorm van terbeschikkingstelling van personeel aan de heffing van BTW onderworpen. Met betrekking tot dit onderwerp zijn overigens Kamervragen gesteld. Deze vragen zullen separaat worden beantwoord.

7. Slotopmerking.

Een gelijkluidende brief is door ons gezonden aan de voorzitters van de Vaste commissie voor welzijn en cultuur en de Vaste commissie voor binnenlandse zaken en de Voorzitters van de Tweede en de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

Download PDF