Onderwijsinstellingen mogen oude BTW-regime blijven hanteren voor beroepsopleidingen

7 december 1993 – VB93/2654

Onderwijsinstellingen mogen oude BTW-regime blijven hanteren voor beroepsopleidingen

ONDERWERP: Herziening BTW-vrijstelling per 1 juli 1993 voor zgn. beroepsopleidingen: brief van de ‘Initiatiefgroep BTW Opleidingsbedrijven’.

Blijkens bovengenoemde brief van 21 september 1993 wenst de vaste Commissie van Financiën mijn reactie te vernemen op de brief van Euroforum van 26 augustus 1993. Inzake de daarin aan de orde gestelde problematiek deel ik u het volgende mee.

Met ingang van 1 juli 1993 is het BTW-vrijstellingsregime op het terrein van onderwijsprestaties herzien. Per genoemde datum is een wijziging van artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 in werking getreden. Met de herziening zijn twee soorten onderwijs, te weten het niet-winstbeogend onderwijs en het schriftelijk onderwijs, als afzonderlijke vrijgestelde categorieën komen te vervallen. Daarmee is niet alleen beoogd een betere aansluiting te verkrijgen met de onderwijsvrijstelling in de Zesde BTW-richtlijn, maar ook om de door die vrijstellingen optredende concurrentie-verstoring tegen te gaan. Deze laatste verstoring was vooral het gevolg van het feit dat bedoelde categorieën enkel zien op de wijze waarop het onderwijs wordt gegeven en niet op de inhoud van het onderwijs. In het kader van de herziening van de onderwijsvrijstelling is tevens het begrip ‘onderwijs ter opleiding voor een vak of beroep’ (ook een vrijgestelde categorie) omgezet in ‘beroepsopleidingen’. Het is met name de reikwijdte van deze laatste wijziging waarop Euroforum en andere commerciële onderwijsinstellingen kritiek hebben.

Blijkens de toelichting op het desbetreffende wijzigingsbesluit is met de nieuwe term ‘beroepsopleidingen’ een ruim vrijstellingsregime beoogd. Behalve onderwijs dat in de strikte zin van het woord dient ter opleiding voor een vak of beroep zijn ook vrijgesteld cursussen die zijn gericht op het functioneren van personen in een (toekomstige) werkkring. In de toelichting genoemde voorbeelden van die cursussen zijn:

tekstverwerkingscursussen, cursussen administratieve organisatie, managementscursussen, automatiseringscursussen, sollicitatiecursussen, taalcursussen (ook indien bijv. gericht op allochtonen of meer specifiek op allochtone vrouwen die in het kader van gezinshereniging naar Nederland zijn gekomen) en cursussen stenografie en typevaardigheid.

De vrijstelling voor de opleiding voor een vak of beroep zoals die luidde voor 1 juli 1993 is door de belastingdienst, mede in navolging van dezerzijds gegeven aanwijzingen in de resolutie van 30 mei 1984, nr. 283-18481, over een reeks van jaren strikt geïnterpreteerd. Bij resolutie van 14 juli 1989, nr. WV 89/203, is daarin enige ruimte geboden door onderwijsinstellingen desgewenst in de gelegenheid te stellen, onder bepaalde voorwaarden en zekere restricties, gebruik te maken van een vrijstelling voor alle vak- en beroepsgerichte cursussen. Deze ruimte is destijds geboden om aan enkele praktische bezwaren tegemoet te komen en ook om de hier en daar optredende concurrentieverstoring een halt toe te roepen. In die resolutie worden als voorbeeld nagenoeg dezelfde cursussen genoemd als in de toelichting op het wijzigingsbesluit. In feite komt de herziening per 1 juli 1993 er op neer dat de voorheen bij wijze van goedkeuring ‘opgerekte’ vrijstelling in het wettelijke vrijstellingsregime is overgenomen, zij het dat de keuzemogelijkheid is komen te vervallen.

De dragende gedachte bij het opnemen van een ruime vrijstelling voor beroepsopleidingen is geweest dat met die aanpak zo veel mogelijk praktische interpretatieproblemen konden worden voorkomen en ook kon worden ingespeeld op de ontwikkelingen die zich op het terrein van het beroepsonderwijs hebben voorgedaan. De enge uitleg die in de resolutie van 30 mei 1984 was gegeven had tot veel problemen geleid en ook tot veel kritiek. Die kritiek behelsde, naast de praktische bezwaren, vooral het feit dat de resolutie geen oog zou hebben voor de maatschappelijke ontwikkelingen op het terrein van het onderwijs in het algemeen en dat van het beroepsonderwijs in het bijzonder. Die ontwikkelingen zien met name op de omstandigheid dat het beroepsonderwijs niet meer alleen betreft het geven van een volledige beroepsopleiding (de klassieke vorm) maar ook het geven van deelcursussen betreffende de uitoefening van een bepaald beroep (te denken valt aan het fenomeen van de zgn. deelcertificaten). Verder heeft bij de vastlegging van een ruime vrijstelling voor beroepsopleidingen ook meegespeeld dat daarmee ook enkele, niet te verwaarlozen, pijnpunten konden worden weggenomen in verband met het vervallen van de vrijgestelde categorieën ‘niet-winstbeogend’ en ‘schriftelijk’ onderwijs; met name doel ik wat dat betreft op de handhaving van de vrijstelling voor taalcursussen.

Onderkend is dat door de ruime uitleg van ‘beroepsopleidingen’ een aantal onderwijsinstellingen nadeel zal ondervinden. Daarbij gaat het met name om ondernemers die op commerciële basis bijscholings- en opfriscursussen (‘education permanente’), seminars en dergelijke – vaak kortlopende – cursussen verzorgen. Dit is het geval bij Euroforum en andere commerciële ondernemers. Het nadeel bestaat erin dat, zo deze cursussen worden verstrekt ten behoeve van aftrekgerechtigde ondernemers en hun personeel, de ter zake geldende vrijstelling een cumulatief effect heeft. Dit effect is echter in de praktijk van de BTW geen onbekend verschijnsel. Het komt immers vaak voor dat een vrijstelling, bijv. de bancaire vrijstelling, ‘neerslaat’ in de ondernemersketen. Het is dus op zichzelf geen reden de vrijstelling in die gevallen niet van toepassing te verklaren. In mijn overwegingen bij het vormgeven van de nieuwe vrijstelling heb ik het cumulatie-effect afgewogen en uiteindelijk gemeend toch te moeten kiezen voor een ruime vrijstelling, daarbij onder meer nog voor ogen hebbend dat het hier met name om onderwijs gaat waarbij de persoonlijke bagage van de cursist wordt aangevuld en opgefrist.

De kritiek van Euroforum en ook van andere commerciële onderwijsinstellingen richt zich er voornamelijk op dat de vrijstelling niet zou stroken met de Zesde richtlijn. In die opvatting kan ik mij niet vinden. Naar mijn mening biedt de Zesde richtlijn voldoende ruimte om een ruime vrijstelling in het leven te roepen voor beroepsonderwijs, zij het dat in de rechtspraak van het Hof van Justitie enige terughoudendheid bij de uitleg van de vrijstellingsbepalingen is te onderkennen. In de desbetreffende richtlijnbepalingen wordt geen definitie gegeven van wat onder ‘beroepsopleiding’ wordt verstaan. Dat betekent dat de Lid-Staten zelf een zekere vrijheid hebben bij het invullen van dat begrip. Ook de termen ‘soortgelijke doeleinden’ in artikel 13, A, lid 1, letter i, van de Zesde richtlijn geven mijns inziens houvast voor de gedachte dat die vrijheid bestaat. Verder onderschrijf ik niet de opvatting dat met de term ‘erkend’ in genoemde richtlijnbepaling wordt bedoeld dat uitsluitend dat onderwijs is vrijgesteld dat een ‘onderwijserkenning’ heeft. Het komt mij voor dat een fiscale erkenning als uitgangspunt mogelijk is. Het past immers niet dat de desbetreffende onderwijsinstelling zelf kan bepalen, door het al dan niet aanvragen van een eventuele onderwijserkenning, of een vrijstelling voor haar onderwijs al dan niet uitkomt. Vooraf zijn ook de regels van enkele Lid-Staten bezien, men bleek een vrij ruim begrip ‘beroepsopleiding’ te hanteren; daarbij is aangesloten.

Voor zover de argumenten de inhoudelijke kant van onderwijsvrijstelling in de Zesde richtlijn betreffen, moet ik toegeven dat ik voor die argumenten wat meer begrip heb gekregen. Wat mij wel aanspreekt is de gedachte dat de richtlijnbepaling, mede gelet op de directe koppeling die wordt gelegd tussen publiekrechtelijke lichamen en andere organisaties, voor ogen heeft gehad die soorten onderwijs van BTW vrij te stellen die feitelijk ook worden gegeven door publiekrechtelijke lichamen. En verder lijkt het redelijk, het vereiste van ‘erkenning’ zodanig uit te leggen dat voor de toepassing van een vrijstelling voor een bepaald soort onderwijs niet steeds een feitelijk afgegeven onderwijserkenning nodig is maar wel, zo geen onderwijserkenning is afgegeven, dat dat onderwijs als zodanig in aanmerking zou kunnen komen voor een onderwijserkenning. Hoewel aan deze laatste aanpak wat praktische bezwaren lijken te kleven, wordt daarmee het probleem opgelost van de ondernemer die al naar gelang het hem BTW-technisch uitkomt, kiest voor een onderwijserkenning.

Het toenemen van mijn begrip voor de inhoudelijke argumenten staat overigens niet los van wat andere Lid-Staten met de BTW op het terrein van commerciële seminars e.d. doen. Frankrijk en Engeland hanteren weliswaar een ruime vrijstelling, maar commerciële instellingen zijn daar veelal belast, hetzij door aan de vrijstelling het vereiste van niet-winstbeogen te stellen hetzij door een anders ingerichte erkenningenregeling. Voorts kan nog worden gewezen op de kritiek die de Europese Commissie onlangs heeft geuit op de ruime onderwijsvrijstelling die België hanteert. Naar ik heb begrepen, is die kritiek voor België aanleiding geweest de onderwijsvrijstelling aan te passen.

Verder kan ook nog worden gewezen op de omstandigheid dat zich door de ruime uitleg van het begrip ‘beroepsopleidingen’ onvermijdelijk problemen voordoen op het vlak van de afbakening. Zo zal met name bij onder de naam seminars, congressen, symposia e.d. verzorgde activiteiten niet steeds sprake hoeven te zijn van onderwijs. In voorkomende gevallen zal de nadruk liggen op het geven van voorlichting en instructie, terwijl daarbij het element van onderwijs van ondergeschikte betekenis is. Ook wat dat betreft zal een tegemoetkomende houding enig soelaas bieden.

Dit alles heeft mij er toe gebracht mij opnieuw op de onderwijsvrijstelling te beraden. Mede in overleg met de andere Lid-Staten en eventueel in samenspraak met de Europese Commissie zal nader worden bezien hoe de onderwijsvrijstelling kan worden aangepast en opnieuw gestalte moet worden gegeven. Het komt mij in verband daarmee redelijk voor om in afwachting van de uitkomsten daarvan, de onderwijsinstellingen de vrijheid te laten gebruik te maken van het ruime begrip ‘beroepsopleidingen’ en om op dat punt niet aan de onverkorte toepassing van de herziening vast te houden. Overigens had ik deze mogelijkheid al geboden, zij het tot 1 januari 1994.

Net deze praktische aanpak, die ik zo spoedig mogelijk zal uitdragen, wordt tegemoetgekomen aan de door de ‘Initiatiefgroep BTW Opleidingsbedrijven’ aangevoerde bezwaren.

Ik vertrouw erop u met het vorenstaande voldoende te hebben geïnformeerd.

Download PDF