Stichtingen – vrijstellingen – geen winst beogen.

18 februari 1988 – VB88/39

Stichtingen – vrijstellingen – geen winst beogen.

Op grond van art. 11, tweede lid, wordt de toepasselijkheid van een aantal in het eerste lid van art. 11 opgenomen vrijstellingen afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat met de desbetreffende prestaties geen winst wordt beoogd. In dit verband rijst de vraag in welke omstandigheid van een winststreven in evenbedoelde zin sprake is, in het bijzonder in gevallen waarin de prestaties door stichtingen worden verricht.

Hoewel het antwoord op deze vraag afhangt van de feiten en omstandigheden zoals die zich in een concrete situatie voordoen, wordt gemeend dat – mede rekening houdend met de thans bekende jurisprudentie – hierbij de volgende uitgangspunten kunnen worden gehanteerd.

De beoordeling of een stichting, die als ondernemer in de zin van art. 7 van de wet aan het economische verkeer deelneemt, met haar activiteiten winst beoogt zal in beginsel op dezelfde wijze moeten plaatsvinden als bij ondernemers die hun activiteiten in andere rechtsvormen ontplooien. Bij deze toetsing zullen behalve de statuten van de stichting, ook onder meer de feitelijke zeggenschapsverhoudingen binnen de stichting en eventuele overheidsvoorschriften en subsidievoorwaarden met betrekking tot de activiteiten in aanmerking moeten worden genomen. Anders dan dezerzijds in het verleden incidenteel wel is te kennen gegeven, kan ten aanzien van ondernemers die hun prestaties in stichtingsvorm verrichten zeker niet zonder meer worden gesteld dat zij daarmee slechts bij uitzondering winst beogen.

Hierbij wordt aangetekend dat de omstandigheid dat de exploitatie slechts sluitend kan zijn doordat daarbij kan worden gerekend op door de Overheid, anders dan in de vorm van het aanzuiveren van exploitatietekorten, te verstrekken subsidies niet verhindert aan te nemen dat winst wordt beoogd. (Vergelijk HR 1 juli 1987, nr. 23 823, BNB 1987/266). De enkele omstandigheid dat ondernemers hun (in de vorm van een eenmanszaak, vennootschap onder firma, NV of BV of welke ondernemingsvorm dan ook uitgeoefende) bedrijf inbrengen in een stichting, waarbij overigens geen materiële wijziging optreedt in de bedrijfsvoering en de positie van degene(n) aan wie de vruchten van de desbetreffende activiteiten toevallen, kan niet met zich brengen dat na deze inbreng vrijstellingen van toepassing zijn, die voor de inbreng – wegens het niet afwezig zijn van het winstoogmerk – niet van toepassing waren.

Stichtingen zullen – daargelaten wat de statuten daaromtrent bepalen – naar wordt gemeend naar winst streven als de belangen van één of verschillende personen (oprichters en/of bestuurders van de stichting) op zodanige wijze met de belangen van de stichting zijn verweven dat het streven van deze personen naar verwerving van opbrengsten als winststreven aan de stichting moet worden toegerekend. (Zie Hof Amsterdam 22 januari 1985, nr. 2451/1983, BNB 1986/330  , in welk geval een natuurlijk persoon naar opbrengsten streefde om daarmee in zijn levensonderhoud te voorzien.) Het salaris dat de stichting uitbetaalt aan degene(n) met wiens/wier belang het belang van de stichting moet worden vereenzelvigd, dient alsdan tot de winst te worden gerekend. De hoogte van het salaris dat de stichting aan deze belanghebbende(n) betaalt is in beginsel niet van belang voor de beantwoording van de vraag of de stichting al dan niet winst beoogt. Hierbij wordt overigens aangetekend dat de omstandigheid dat een stichting aan een of verschillende werknemers een salaris betaalt dat (in beduidende mate) uitgaat boven een voor de desbetreffende functie normaal te achten salaris of een salaris waarvan de hoogte afhankelijk is van het door de stichting behaalde exploitatieresultaat wel een aanwijzing kan opleveren voor de hiervoor bedoelde verwevenheid van belangen.

Op de hiervoor gegeven uitgangspunten doen zich echter uitzonderingen voor. In zijn arrest van 18 januari 1978, nr. 18 642, BNB 1978/59  , overweegt de Hoge Raad dat de strekking van art. 11, letter c (thans art. 11, eerste lid, letter c), van de wet, te weten het in een beperkte mate scheppen van een uitzondering voor die inrichtingen, die naar hun doelstelling en aard zozeer buiten de ondernemingssfeer liggen dat zij nagenoeg op één lijn staan met particuliere huishoudingen zich ertegen verzet onder beoogde (of gemaakte) winst in de zin van die bepaling te begrijpen ieder voordeel, hoe gering ook, dat als winst uit onderneming in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 moet worden aangemerkt. Met name kan – aldus de Hoge Raad – niet van beoogde (of gemaakte) winst in de zin van art. 11, letter c, worden gesproken indien ingevolge de van overheidswege vastgestelde richtlijnen inzake het prijstoezicht op de bejaardenoorden de beloning van de ondernemer en van diens in de inrichting werkzame echtgenote of echtgenoot is beperkt tot een salaris of een functieloon, afgeleid van de salarisregeling voor personeel in bejaardentehuizen. Deze interpretatie van het begrip ‘winst’ kan naar gemeend wordt eveneens worden toegepast ten aanzien van stichtingen – andere dan inrichtingen in de zin van art. 11, eerste lid, letter c, van de wet – die weliswaar formeel zelfstandig aan het maatschappelijke verkeer deelnemen doch die – als gevolg van bijv. overheidsvoorschriften of subsidievoorwaarden – feitelijk in een ‘werknemerspositie’ verkeren.

Download PDF