Teruggaaf van Nederlandse BTW aan buitenlandse reisbureaus

1 april 2001 – 01045001

Teruggaaf van Nederlandse BTW aan buitenlandse reisbureaus

Beleidswijziging Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen buitenland van 1 april 2001[1]

 

Geachte heer/mevrouw,

Hierbij deel ik u mede dat de Belastingdienst een belangrijke wijziging heeft aangebracht in haar beleid inzake de teruggaaf van BTW aan reisbureaus die in hun land van vestiging gebruik maken van een op art. 28 van de Zesde richtlijn geënte regeling, en in Nederland toch BTW terugvragen.

Art. 28, tweede lid voorziet in een gunstige verrekening (slechts over een marge en niet over de volle omzet) van de verschuldigde BTW en art. 26, vierde lid sluit verder aftrek uit. Tot oktober 1992 werd aan buitenlandse reisbureaus om die reden, vanwege deze onderlinge samenhang, geen BTW teruggegeven. De Hoge Raad oordeelde echter bij arrest van 21 oktober 1992 dat wel recht op teruggaaf bestond.

Recent echter, op 6 december 2000, heeft de Hoge Raad in andere zin uitspraak gedaan, in het geval van een Nederlands reisbureau dat de verschuldigde omzetbelasting berekende over de winstmarge, op de voet van art. 28, lid 2, van de Zesde Richtlijn, via de bijzondere regeling voor reisbureaus, en tevens ook de voorbelasting aftrok op de voet van art. 15 van de Wet OB.

De Hoge Raad zegt:

Door de bijzondere regeling voor reisbureaus te beperken tot een element daarvan wordt geen resultaat bereikt dat in overeenstemming is met die regeling. Naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, kan niet met vrucht een beroep op de Zesde Richtlijn worden gedaan om overeenkomstig art. 26, lid 2, te handelen en tevens door belasting in aftrek te brengen.

De Hoge Raad verwerpt dus de stelling dat het mogelijk zou zijn om slechts een gedeelte van de regeling van art. 28 van de richtlijn toe te passen, omdat het resultaat van deze stelling in strijd is met de strekking van de regeling van de richtlijn. Die strekking is volgens de Hoge Raad een combinatie van enerzijds heffing over de marge en anderzijds uitsluiting van het recht op aftrek.

De Hoge Raad verwees naar de uitspraak van het Europese Hof van Justitie in de zaak Brinkmann Tabakfabriken GmbH (HvJ 15 juni 2000, nr. C 386/95). In die zaak besliste het hof dat een beroep op slechts een gedeelte van een bepaling van een richtlijn niet mogelijk is.
In haar uitspraak van 6-12-2000, die de BPOb als richtsnoer zal nemen, komt de Hoge Raad dus terug van haar uitspraak van 21 oktober 1992. Als ingangsdatum voor het nieuwe beleid hanteert de BPOb: 1-1-2001. Verzoeken door buitenlandse reisbureaus over een tijdvak tot en met het vierde kwartaal 2000 zullen dus nog volgens het oude beleid worden gehonoreerd.



[1] Red: Het betreft een gepubliceerde brief van de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen buitenland van 1 april 2001

Download PDF