Toepassing van de Wet op de omzetbelasting 1968 ten aanzien van aan werknemers verstrekte vergoedingen voor telefoonkosten

30 juni 1999 – VB99/1399

Toepassing van de Wet op de omzetbelasting 1968 ten aanzien van aan werknemers verstrekte vergoedingen voor telefoonkosten

Zoals u ongetwijfeld bekend is, zijn in de afgelopen periode van verschillende zijden vragen gesteld over de mogelijkheid van aftrek van omzetbelasting ter zake van door ondernemers aan hun werknemers verstrekte vergoedingen voor de door die werknemers in de privé-sfeer gemaakte telefoonkosten. Daarbij is verzocht om, analoog aan de artikelen 23 en 24 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968, een regeling te treffen die terzake aftrek van voorbelasting mogelijk maakt. Zie in dit verband ook onderdeel b van punt 29.04.02 van het verslag van het Landelijk Overleg Omzetbelasting van 4 maart 1998. De vraag of in dezen recht op aftrek van voorbelasting bestaat, is inmiddels ook voorgelegd aan de rechter (Hof Amsterdam, nr. 99/00303, zie Beeldkrant van 25 mei 1999). Terzake van deze aangelegenheid kan ik u thans het volgende mededelen.

Na ampele overwegingen is besloten af te zien van het introduceren van een regeling op grond waarvan de betrokken ondernemers aanspraak zouden kunnen maken op aftrek van voorbelasting. Daarbij hebben verschillende overwegingen een rol gespeeld. Eén van de redenen voor het niet treffen van een dergelijke regeling is het feit dat de hiervoor genoemde regeling van artikel 23 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 op bezwaren stuit bij de Europese Commissie. Terzake is een zogenoemde inbreukprocedure aanhangig bij het Hof van Justitie (zaak C-338/98; zie Btw-Brief 1999, nr. 3, blz. 36).

In aanvulling op het vorenstaande merk ik nog op dat door mij desgevraagd het standpunt is ingenomen dat geen recht op aftrek ontstaat indien een telecommunicatiebedrijf de nota’s op naam van de werkgever zet en/of de overeenkomst sluit met de betrokken werkgever. Met die wijzigingen wordt namelijk niet bewerkstellig dat de desbetreffende prestaties jegens de werkgever worden verricht. Het is en blijft de werknemer die thuis een telefoonaansluiting en telefoonapparatuur ter beschikking heeft waarmee deze in de privé-sfeer prestaties afneemt. Er is overigens sprake van een andere situatie indien de werkgever aan zijn werknemer een mobiele telefoon ter beschikking stelt die hij op verschillende plaatsen, waaronder ook thuis, kan gebruiken. Naar mijn mening is in die situatie sprake van een situatie waarin het desbetreffende telecommunicatiebedrijf prestaties verricht jegens de betrokken werkgever. De omzetbelasting die terzake aan die werkgever in rekening wordt gebracht, kan door hem in aftrek worden gebracht, uiteraard met inachtneming van hetgeen is bepaald in of krachtens de artikelen 15 en 16 van de Wet op de omzetbelasting 1968.

Ik verzoek u met het vorenstaande rekening te houden bij de toepassing van de omzetbelastingwetgeving ten aanzien van de onder u ressorterende ondernemers.

Download PDF