Vereenvoudiging BTW bij kop-staart-vervoer / Beantwoording vragen gesteld bij overleg vaste Commissie voor Financiën van 1 februari 1995

29 maart 1995 – WV95/165M

Vereenvoudiging BTW bij kop-staart-vervoer /  Beantwoording vragen gesteld bij overleg vaste Commissie voor Financiën van 1 februari 1995

Bij het overleg met de vaste Commissie van Financiën op 1 februari 1995 zijn een aantal onderwerpen aan de orde gekomen ter zake waarvan ik de Commissie een nadere schriftelijke reactie heb toegezegd.

1  Bij het overleg is onder meer een memorandum van KPMG Meijburg & Co aan de orde gesteld dat betrekking heeft op de problemen op het terrein van de omzetbelasting sinds de afschaffing van de fiscale grenzen. Naar aanleiding van dat memorandum merk ik het volgende op.

In paragraaf 1 worden de mogelijkheden tot misbruik van het btw-nummer aan de orde gesteld. Een dergelijk misbruik kan zich voordoen omdat een ondernemer die goederen verschaft bij intracommunautaire transacties zich kan uitgeven voor een andere ondernemer, en daarbij diens btw identificatienummer gebruiken. De kans dat een dergelijke handelwijze zowel bij de leverancier als bij de belastingdienst onopgemerkt blijft, lijkt mij echter gering. In de eerste plaats kan de ondernemer die de levering verricht de juistheid van het door zijn afnemer opgegeven btw-identificatienummer bij de belastingdienst laten verifieren. De belastingdienst geeft bij verificatie aan of de combinatie van btw-identificatienummer en naam en adres juist is, en bevestigt dit eventueel schriftelijk. Bij verschillen wordt niet aangegeven wat de juiste combinatie zou moeten zijn. Daardoor wordt misbruik van btw-identificatienummers al enigszins ingedamd. Immers, degene die het btw-identificatienummer van een derde gebruikt, zal zich dan extra inspanningen moeten getroosten om wel aan de juiste combinatie van gegevens te komen. Hierbij moet ik echter de kanttekening maken dat in sommige landen (onder andere België) de verstrekte btw-identificatienummers zijn gepubliceerd, en dus voor een ieder toegankelijk. In Nederland zijn de btw-identificatienummers niet openbaar gemaakt. In de tweede plaats zal er doorgaans een verband bestaan tussen de naam en het adres van de ondernemer die voorgeeft de goederen te betrekken en het adres waarnaar de goederen en de factuur moeten worden gezonden. Bij een verschil hiertussen mag van de leverende ondernemer extra zorgvuldigheid worden verwacht. Dit geldt te meer indien een ondernemer handelt met een hem onbekende afnemer Indien een ondernemer, na de nodige zorgvuldigheid in acht te hebben genomen, besluit de levering te verrichten, moet hij op de factuur de naam, het adres en het btw-identificatienummer van de afnemer vermelden. Daarnaast moet hij de waarde van de transactie en het btw-identificatienummer van de afnemer op de zogenoemde list vermelden. De gegevens van de listing worden periodiek via het geautomatiseerde VIES-systeem ter beschikking gesteld aan de lid-staten waar de afnemers zijn gevestigd. Die lid-staten kunnen de gegevens vergelijken met de gegevens omtrent de aldaar aangegeven verwervingen. Hoewel de frequentie waarmee en de wijze waarop de gegevensvergelijking plaats vindt per lid-staat kan verschillen, is altijd de mogelijkheid aanwezig dat misbruik van een btw-identificatienummer via het VIES-systeem wordt geconstateerd. Bij verschillen kan de lid-staat van bestemming de lid-staat van herkomst op grond van de verordening 218/92 vragen een onderzoek in te stellen. Bij zo’n onderzoek zullen alle relevante bescheiden in beschouwing worden genomen, dus niet alleen de facturen, maar ook vervoers- en betalingsbescheiden. Als wordt vastgesteld dat sprake is van een fictieve levering, zal de leverancier daarvoor slechts fiscaal aansprakelijk kunnen worden gesteld indien hij onzorgvuldig heeft gehandeld. Kan een dergelijk verwijt hem niet worden gemaakt, dan zal hij niet worden aangesproken en zal de bevoegde belastingdienst moeten bezien of op een andere wijze verhaal mogelijk is. Overigens wordt thans, zoals toegezegd bij de beantwoording van de kamervragen van mevrouw De Vries en de heer Van Rey, met het bedrijfsleven bezien of het mogelijk is nadere richtlijnen op te stellen met betrekking tot het aantonen van het recht op de toepassing van het nultarief bij intracommunautaire transacties. Daartoe is een kleine werkgroep in het leven geroepen bestaande uit vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, van het Ministerie van Financiën en van de Belastingdienst. Deze werkgroep is in februari 1995 begonnen met een verkenning van de specifieke probleemgebieden. Binnen het kader van de werkgroep wordt voorts door vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en van de Belastingdienst veldonderzoek verricht bij een aantal bedrijven. Aan de hand van dat onderzoek zal de werkgroep vervolgens proberen nadere aanbevelingen te doen met betrekking tot de toepassing van het nultarief. Het ligt in de bedoeling dat de werkgroep spoedig met deze aanbevelingen komt. De aanbevelingen zullen voor commentaar worden voorgelegd aan de Commissie Thunnissen alvorens zij als richtlijnen worden opgenomen in een Mededeling aan de Belastingdienst. De door een ondernemer te betrachten zorgvuldigheid zal in de toekomst dan ook aan deze richtlijnen worden getoetst.

In het memorandum wordt gesteld dat er nog geen regelgeving tot stand is gebracht voor ketentransacties waarbij meer dan drie partijen betrokken zijn. Deze problematiek is mij bekend. In Europees verband wordt in dit verband naar oplossingen gezocht. Omdat deze materie bijzonder complex is, is dat tot nu toe niet gelukt. Ik zal mij echter blijven inzetten voor een oplossing van deze problematiek.

In paragraaf 3 van het memorandum stelt KPMG de situatie aan de orde waarbij een opdrachtgever uit lid-staat X goederen naar een andere lidstaat Y verzendt om ze na een in die lid-staat uitgevoerde bewerking te leveren aan een afnemer in die lid-staat. Het memorandum concludeert terecht dat de wetgeving in deze gevallen voorschrijft dat de ondernemer die de goederen levert, zich moet laten registreren in de lid-staat Y. Ook deze problematiek is bekend. Indien er op dit terrein vereenvoudigingen mogelijk zijn dan zou ik dat zeker- toejuichen. Ik wijs er overigens op dat het hier niet gaat om een probleem dat is ontstaan met de afschaffing van de fiscale grenzen. Vóór 1 januari 1993 moest een ondernemer zich in soortgelijke gevallen ook registreren in lid-staat Y. Voorts diende hij in lid-staat Y voor de desbetreffende goederen een invoerprocedure af te werken. In die zin is de situatie met de afschaffing van de fiscale grenzen verbeterd zij het dat de situatie zeker niet optimaal is.

Tot slot wordt in het KPMG-memorandum aandacht geschonken aan de btwheffing van accijnsgoederen naar het tarief van nihil op de voet van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 behorende tabel II, onderdeel a, post 7. Gesteld wordt dat de regelgeving voor de levering van minerale oliën naar het tarief van nihil zeer complex is geworden. Voorgesteld wordt het tarief van nihil toe te staan voor alle transacties tussen handelaren voor zover het gaat om accijnsgoederen die nog niet veraccijnsd zijn. Naar aanleiding hiervan merk ik op dat de regels voor toepassing van het tarief van nihil ten aanzien van minerale oliën die worden verhandeld onder accijnsverband op verzoek van het bedrijfsleven sterk zijn vereenvoudigd bij de regeling van de Minister van Financiën van 22 december 1993, nr WV 93/492 houdende de Regeling wijziging heffing omzetbelasting (Stcrt. 251), welke regeling met ingang van 31 december 1993 in werking is getreden. Daarna zijn er vanuit het bedrijfsleven nauwelijks klachten geweest over deze regelgeving. Overigens sta ik op zichzelf open voor het zoeken naar wegen om de heffing op een verantwoorde wijze verder te vereenvoudigen. Wel merk ik op dat de bepalingen van de Zesde Btw-richtlijn niet toestaan dat alle transacties in onveraccijnsde minerale oliën tussen handelaren worden belast naar het tarief van nihil. Teneinde duidelijkheid te verkrijgen omtrent de eventuele behoefte bij het Nederlandse bedrijfsleven aan een verdere vereenvoudiging van de regelgeving op dit punt zal ik dit onderwerp daarom ook in het kader van het overleg binnen de Commissie Thunnissen wederom aan de orde stellen.

2  In vorengenoemd overleg is ook aandacht gevraagd voor de problematiek met betrekking tot het vervoer van goederen dat begint en eindigt binnen dezelfde lid-staat en dat onmiddellijk voorafgaat aan dan wel onmiddellijk volgt op een intracommunautair vervoer van goederen. Eerstbedoeld vervoer over een nationaal traject wordt wel aangeduid als het ‘kop-staart vervoer’ om aan te geven dat het nauw verbonden is met een intracommunautair vervoer van goederen. De problematiek met betrekking tot het ‘kop-staart vervoer’ kwam naar voren na de afschaffing van de fiscale grenzen met ingang van 1 januari 1993. Ingevolge de bepalingen van de Zesde Btw-richtlijn is het ‘kop-staart vervoer’ anders dan het intracommunautair vervoer van goederen, altijd belast in die lid-staat waar het vervoer daadwerkelijk wordt verricht. Dit houdt in dat wanneer een dergelijk vervoer in een lid-staat geschiedt in opdracht van een ondernemer die is gevestigd in een andere lid-staat die ondernemer de btw van eerstbedoelde lid-staat in rekening gebracht krijgt. Hoewel de ondernemer die btw kan terugvragen op de voet van de Achtste Btw-richtlijn heeft hij toch te maken met een financieringslast. Deze regeling betekent dat opdrachtgevers in dergelijke gevallen zullen proberen ‘kop-staart vervoer’ zo veel mogelijk te vermijden ten gunste van het intracommunautaire vervoer waaraan dergelijke lasten niet zijn verbonden. De concurrentie-neutraliteit van de btw-heffing kan daardoor worden verstoord. Stel dat bij voorbeeld een Frans bedrijf goederen wil laten vervoeren van Rotterdam naar Berlijn, en in beginsel zou willen kiezen voor het traject Rotterdam – Arnhem door een Nederlands bedrijf en Arnhem – Berlijn door een Duits. Het Duitse bedrijf hoeft dan voor het (intracommunautaire) traject geen btw te berekenen aan de Franse afnemer (de heffing wordt naar de afnemer verlegd), het Nederlandse bedrijf zou dat voor het Nederlandse traject wel moeten. Weliswaar kan het Franse bedrijf de btw terugvragen maar daarmee is enige tijd gemoeid. Dit financieringsnadeel kan ertoe leiden dat het Franse bedrijf het hele vervoer aan het Duitse bedrijf gunt.

Om aan de problematiek met betrekking tot het ‘kop-staart vervoer’ tegemoet te komen is door Nederland en de meeste andere lid-staten in 1993 na machtiging van de Raad van de Europese Unie een van de richtlijn afwijkende, voorlopige voorziening getroffen. Die regeling houdt in dat wanneer in Nederland een ondernemer een ‘kop-vervoer’ of ‘staart-vervoer’ verricht in opdracht van een ondernemer die niet in Nederland maar in een andere lid-staat is gevestigd, de Nederlandse ondernemer voor zijn vervoersprestatie btw in rekening mag brengen naar het nultarief, indien de buitenlandse ondernemer overigens voldoet aan de voorwaarden die worden gesteld voor het verkrijgen van teruggaaf op de voet van de Achtste btw-Richtlijn. In het hiervoor gegeven voorbeeld betekent dit dat het Nederlandse bedrijf over het Nederlandse traject Rotterdam – Arnhem geen btw in rekening behoeft te brengen. Met deze voorlopige voorziening is de concurrentie-neutraliteit van de btw-heffing hersteld. De machtigingen aan de verschillende lid-staten zijn verleend tot 1 januari 1995 daar de Raad er van uit ging dat er op of voor die datum wel een definitieve voorziening getroffen zou zijn via een Tweede vereenvoudigingsrichtlijn btw. Deze richtlijn is echter pas op 20 maart 1995 aanvaard door de Ecofin-Raad en zal op dit onderdeel moeten worden geïmplementeerd op 1 januari 1996. De voorlopige voorziening blijft derhalve de komende tijd nog van toepassing. De in de Tweede vereenvoudigingsrichtlijn btw opgenomen regeling komt er op neer dat in de gevallen waarin sprake is van ‘kop-staart vervoer’, net als bij het intracommunautaire goederenvervoer, de btw wordt verlegd naar de ondernemer die de opdracht voor het vervoer heeft gegeven, in het voorbeeld de ondernemer uit Frankrijk. Door deze regeling wordt dus de Nederlandse ondernemer in het voorbeeld niet uitgeschakeld door de btw-regelgeving en wordt zodoende de concurrentie-neutraliteit van de btw-heffing op dit punt verzekerd.

3  Door de heer Reitsma is gevraagd om informatie over de ministeriële regelingen die samenhangen met de implementatie van de Zesde Richtlijn. Het gaat daarbij om de regeling van de Minister van Financiën van 24 december 1992, nr. WV 92/696, houdende Regels ter uitvoering van een btw-richtlijn (Regeling ter uitvoering van de Richtlijn van de Raad van de EG van 14 december 1992 tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG) (Stcrt. 252) alsmede om de regeling van de Minister van Financiën van 22 december 1993, nr. WV 93/492, houdende de Regeling wijziging heffing omzetbelasting (stcrt. 251). Beide ministeriële regelingen worden verwerkt in het onlangs door de Eerste Kamer der Staten-Generaal aanvaarde voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de wijziging van en de invoering van vereenvoudigingsmaatregelen in de Zesde Richtlijn. Dit wetsvoorstel zal op korte termijn in werking treden. Van laatstgenoemde ministeriële regeling zullen enkele bepalingen worden verwerkt in het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 en in de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. De desbetreffende wijzigingsvoorschriften treden in werking op hetzelfde tijdstip als de hiervoor genoemde wijzigingswet.

Download PDF