Wijziging besluit margeregeling ivm KOR

20 december 2019 – nr. 25271

Wijziging van het besluit van 17 juli 2014, nr. BLKB2014/546M, Staatscourant 21054

Directoraat-generaal Belastingdienst/Corporate dienst Vaktechniek

Red: de wijzigingen zoals vermeld in dit besluit zijn direct verwerkt in het besluit van 17 juli 2014, nr. BLKB2014/546M.

De Minister van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit wijzigt het besluit van 17 juli 2014, nr. BLKB2014/546M (Stcrt. 21054). De wijziging betreft een aanpassing van het besluit aan de wijziging van artikel 28b, tweede lid, onderdeel c van de Wet op de omzetbelasting 1968. Dit is het gevolg van het in werking treden van een nieuwe regeling voor kleine ondernemers met ingang van 1 januari 2020 (Wet modernisering kleineondernemersregeling, Stb. 2018 511).

ARTIKEL I

Het besluit van 17 juli 2014, nr. BLKB2014/546M (Stcrt. 21054), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 14 december 2018, nr. 2018-30753 (Stcrt. 68655), wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan onderdeel 1 wordt een alinea toegevoegd, luidende:

Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van [datum], nr. 2019-25271, (Stcrt. [nummer]). De wijziging betrof de onderdelen 3.5., 3.5.3., 5.3., 6.3. en 7.7. De wijziging hield verband met de wijziging van 28b, tweede lid, onderdeel c van de Wet op de omzetbelasting 1968 vanwege het in werking treden van een nieuwe regeling voor kleine ondernemers met ingang van 1 januari 20201.

B

In onderdeel 3.5. komt de tekst bij letter c, te luiden:

  1. een ondernemer die de btw-vrijstelling voor kleine ondernemers (artikel 25 van de wet) toepast, alleen voor in zijn bedrijf gebruikte roerende zaken waarop hij voor de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting afschrijft of zou kunnen afschrijven als hij aan zo’n belasting zou zijn onderworpen;

C

Onderdeel 3.5.3. komt te luiden:

3.5.3. Vrijgestelde kleine ondernemers (artikel 28b, tweede lid, onderdeel c, van de wet)

Een ondernemer die in Nederland is gevestigd of daar een vaste inrichting heeft en van wie de omzet in een kalenderjaar in Nederland niet meer bedraagt dan € 20.000 kan kiezen voor toepassing van btw-vrijstelling (artikel 25 van de wet, de zogenoemde kleineondernemersregeling). Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het Hof van Justitie van de EU heeft beslist dat de omzet die als maatstaf dient voor de toepassing van de kleineondernemersregeling niet wordt gevormd door de belaste marge, maar door het totale bedrag van de door belastingplichtige wederverkopers ontvangen bedragen, de btw niet inbegrepen2.

Een gevolg van de vrijstelling is dat deze ondernemer voor zijn leveringen en diensten geen btw op de factuur mag vermelden (artikel 25, vierde lid, van de wet). Als zo’n ondernemer een gebruikte roerende zaak levert waarop de ondernemer voor de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting afschrijft (of zou kunnen afschrijven als hij aan zo’n belasting zou zijn onderworpen), kan de wederverkoper dat goed met toepassing van de margeregeling verkopen. De leverancier van de gebruikte roerende zaak moet op het moment van deze levering de vrijstelling toepassen. Het is niet relevant welk btw-regime op de leverancier van toepassing was toen hij het bedrijfsmiddel aanschafte en of hij de btw toen in aftrek heeft kunnen brengen.

De (marge)regeling is beperkt tot de levering van roerende zaken als hiervoor bedoeld. De regeling geldt niet voor de handelsvoorraad van btw-vrijgestelde kleine ondernemers, die meestal uit ongebruikte goederen bestaat. De margeregeling kan wel worden toegepast als een btw-vrijgestelde kleine ondernemer in zijn hoedanigheid van wederverkoper handelsgoederen levert aan een andere wederverkoper (zie onderdeel 3.5.4.).

D

In onderdeel 5.3. wordt in de tweede alinea in de derde zin ‘van hun administratieve verplichtingen zijn ontheven (artikel 25, derde lid, van de wet)’ vervangen door:

de btw-vrijstelling voor kleine ondernemers toepassen (artikel 25 van de wet)

E

In onderdeel 6.3. wordt in de tweede alinea de eerste zin ‘De leverancier die ontheven is van zijn administratieve verplichtingen, kan het goed verkregen hebben voordat hij van die verplichtingen was ontheven.’ vervangen door de zin:

De leverancier die de btw-vrijstelling voor kleine ondernemers toepast (artikel 25 van de wet), kan het goed verkregen hebben voordat hij van die vrijstelling gebruik maakte dan wel van zijn administratieve verplichtingen was ontheven3

F

In onderdeel 6.3. wordt in de alinea direct onder het kopje goedkeuring ‘is ontheven van zijn administratieve verplichtingen’ vervangen door:

de btw-vrijstelling voor kleine ondernemers toepast (artikel 25 van de wet)

G

In onderdeel 7.7. wordt bij letter d. ‘is ontheven van zijn administratieve verplichtingen (artikel 25, derde lid, van de wet)’ vervangen door:

de btw-vrijstelling voor kleine ondernemers toepast (artikel 25 van de wet)

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2020

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 20 december 2019

De Minister van Financiën,
namens deze,

J. de Blieck
Hoofddirecteur Fiscale en Juridische Zaken

TOELICHTING

In artikel I, onderdeel A, wordt aan onderdeel 1 een passage toegevoegd ter toelichting van de wijziging(en) via dit besluit.

De in artikel I, onderdelen B t/m G opgenomen wijzigingen, betreffen tekstuele aanpassingen vanwege de wijziging per 1 januari a.s. van artikel 28b, tweede lid, onderdeel c, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de wet). De wijziging van dit artikel hangt samen met de wijziging van artikel 25 van de wet (de zogenoemde kleineondernemersregeling) per 1 januari a.s.

Artikel II regelt de datum van inwerkingtreding van de onderhavige wijziging(en). Deze datum wordt gesteld op 1 januari 2020. Dit besluit is na de inwerkingtreding terstond uitgewerkt en bevat daarom geen vervalbepaling (zie Aanwijzing 6.25 Aanwijzingen voor de regelgeving (Stcrt. 1992, 230)).

De Minister van Financiën,
namens deze,

J. de Blieck
Hoofddirecteur Fiscale en Juridische Zaken


1

Wet modernisering kleineondernemersregeling, Stb. 2018 511

2

Hof van Justitie, 29 juli 2019, C-388/18 (B), ECLI:EU:C:2019:642 (zie ook Stcrt. Nr. 51913)

3

Van zijn administratieve verplichtingen ontheven als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de wet zoals dit luidde tot 1 januari 2020

Download PDF